Trans World Television
'Wat de boer niet kent, eet hij niet' is een spreekwoord dat wereldwijde geldingskracht heeft. Kort maar krachtig geeft het spreekwoord weer dat mensen vaak wat terughoudend reageren op nieuwe ontwikkelingen. Ongetwijfeld heeft deze menselijke karaktertrek zijn positieve kanten; vaker echter zien we de negatieve kant ervan terugkomen in een traditionele eigenwijsheid. Bij ontwikkelingshulp vormt het regelmatig een probleem en het is een van de oorzaken dat ontwikkelingsprogramma's de steun van de bevolking in de derde wereld missen. Het ontbreken van deze lokale steun leidt vaak tot de vraag naar het nut van ontwikkelingshulp.
Overtuigend bewijs voor het feit dat ontwikkelingsprogramma’s lokale steun missen, is wel de praktijk. Hoewel de programma’s vaak floreren bij aanvang, vangen bij de voortgang de problemen aan. Zolang ontwikkelingswerkers het programma draaiende houden gaat alles goed; na overdracht aan de lokale bevolking stagneert de ontwikkeling echter. Vervallen ziekenhuizen, verwaterde irrigatiesystemen en een verwaarloosde infrastructuur vormen het resultaat van mismanagement na de overdracht.
Het verschil in cultuur, in normen en waarden, is misschien wel de grootste oorzaak van onkunde omtrent het eten. Op basis van het eerder genoemde spreekwoord, zal ieder ontwikkelingsprogramma, dat uitgaat van een andere cultuur wel moeten mislukken. Om een voorbeeld te noemen: de hele discussie over het nut van ontwikkelingswerk wijst al op een typisch westerse manier van denken, waarin efficiëntie een belangrijke rol speelt. Voor een Nigeriaan echter staat deze waarde (namelijk efficiëntie) helemaal niet zo hoog in het vaandel; vriendschap bijvoorbeeld is een stuk belangrijker. Een ontwikkelingsprogramma, dat uitgaat van westerse waarden zoals nut en efficiëntie kan om die reden moeilijk aarden in de Nigeriaanse cultuur.
De conclusie is dus dat we de ontwikkeling uit het westerse deel van de wereld niet hoeven te verwachten. En wanneer de eerste zet niet aan de ontwikkelde wereld is, lijken de mogelijkheden voor ontwikkeling van de derde wereld ten einde. Immers, ontwikkelingshulp kunnen we per definitie niet verwachten van een ontwikkelingsland?
Maar het menselijk hart verdraagt de aanblik van armoede slecht en van tijd tot tijd moet het geweten gesust worden. Kortom, niets doen is ook geen optie. Met de inefficiëntie van ontwikkelingshulp in het achterhoofd, gaan er stemmen op om slechts te investeren in noodhulp - hulp in gevallen van acute nood, zoals oorlogen, hongersnoden en epidemieën. In de Bijbel komt dit terug in de opdracht om de extra rok te delen met de naaste die er geen heeft. Dat is heel iets anders dan tegen zijn zin een kledingzaak voor hem op te zetten.
Toch is er volgens mij nog hoop voor het ontwikkelingswerk. De oplossing ligt voor de hand, wanneer we inzien dat ook de drang naar vooruitgang een typisch westerse waarde is. De westerling is van nature ontevreden en wordt gedreven door een drang naar meer, terwijl een Afrikaan gauw tevreden is met hetgeen hij heeft. Hier ligt de oplossing: wanneer we deze ontevredenheid over weten te brengen op de tevreden medemens is hij enorm geholpen en zal de drang naar ontwikkeling snel volgen.
Dus, willen we de naaste samenleving dan toch naar een hoger welvaartspeil brengen, moeten we de boer kennis laten maken met het eten, voordat we het opdienen. De eerste stap naar ontwikkeling van de derde wereld is daarom een globale verspreiding van televisies, zodat deze mensen stap voor stap kennis kunnen maken met de westerse welvaart. Als de boer tot slot het eten kent, zal hij eten en ligt de weg open voor ontwikkelingswerk.
Heb je een vraag aan de columnist, mail deze dan naar het columnbeheer. Je vraag komt dan op het goede adres terecht!