Genade
Genade, wat moet je daar nu mee? Dat is nou niet iets populairs om over te horen, is het niet? Vooral in deze tijd, waar meer en meer het recht van de sterkste geldt, is het niet cool om over genade te spreken. Maar ondanks dat het niet cool is om over genade te spreken, het is zo onmisbaar nodig om te kennen en te ontvangen. In deze column wil ik dan ook graag de term genade wat meer uitdiepen, zodat je er wellicht eens wat meer over na gaat denken.
Vind jij genade een droge, dorre en dogmatische term? Dan wil ik je bij deze wijzen op het feit dat juist door deze genade, een mensenleven meer inhoud krijgt, dat je vervuld wordt met de Liefde van de Zoon van God, omdat Hij de Waarheid en het Leven is. Dan gaan we de Heere dienen zoals Hij wil en gaan we onze naasten liefhebben als onszelf. Maar vanuit onszelf doen we dat toch niet?
Nee, en dat is nu het meest verraderlijke, doordat we de Heere door de zondeval de rug hebben toegekeerd, hebben we een totaal verkeerd beeld wat goed is en wat verkeerd. Sterker nog, we noemen slechte dingen ‘goed’, maar de dienst van God keuren we af. Terwijl we door de Heere juist op aarde zijn geplaatst om Hem te dienen en te loven.
Is het niet zo, dat we moeten bekennen dat, als het aan ons ligt, we zeker weten nooit tot verlossing kunnen komen? Zo lang als we maar kunnen, weerstaan we God en rebelleren we tegen Hem. Als Hij wil dat we bidden, willen we juist níet bidden. Als Hij wil dat we onder de prediking van het Evangelie zijn, willen we dat ook het liefst niet. En als we al door God geraakt worden, vegen we onze tranen weg en tartten Hem om zo ons hart te verbreken. We horen een preek over de uitverkiezing, maar ze bevalt ons niet. Een andere keer horen we een preek over de wet, waarin onze krachteloosheid wordt aangetoond, maar we geloven het eenvoudigweg niet.
‘Vrome’ reformatorische jongelui als we zijn zullen we het nooit uitspreken, maar in onze harten bedenken we stiekem toch dat het maar een of ander ouderwets dor en droog dogma-leerstuk is, wat eigenlijk uit de tijd is. Als we een preek horen over de dood en de zonde, geloven we ten diepste niet dat we dood zijn en denken we dat we nog wel levend genoeg zijn. Te zijner tijd bekeren we onszelf wel en brengen we onszelf dus in die toestand waar ze het op de preekstoel altijd maar over hebben. Omdat we nog heerlijk jong zijn, vinden we eigenlijk dat we ons voorlopig nog niet hoeven te bekeren. En zo vertrouwen we dus ons hele leven (als God in zijn barmhartige genade niet ingrijpt) op onze zelfgenoegzaamheid.
Komt dit je bekend voor, of zeg je nu: ‘kom op zeg, zo erg is het met mij niet gesteld? Ik ben heel serieus, ik wacht op God, als Hij me genadig wil zijn ben/ wordt ik toch wel bekeerd?’ Dan kan ik je dit zeggen, dan ben je net zo erg als hij die misschien onverschillig alles aanhoort en er niets mee doet. Want zo stel je je eigen verdorven wil, die alleen maar het kwade wil boven de altijd goede wil van God om je te bekeren. Is dat geen ontzettende hoogmoed, om te denken dat God nu eindelijk maar eens moet komen met Zijn liefde om ons te bekeren, we wachten tenslotte al zo lang?’
Nee, we zouden niet verlost willen worden uit pure genade, als God ons niet uiteindelijk de genadeslag toebrengt. Dan kunnen we niet anders, dan ons aan de onweerstaanbare kracht van Zijn genade te onderwerpen. Die genade overwint onze door-en-door slechte wil en doet ons buigen voor Zijn Majesteit. Als de Heere ons werkelijk laat zien wie wij écht zijn en Wie Hij is, die Almachtige Schepper en Koning der aarde, maakt Hij ons in een klap weerloos. Met andere woorden, alles waarmee je iets dacht te zijn, wordt door God onderuit gehaald. Gelukkig wel, zo kunnen we dus op een bijbelse manier genade ontvangen!
En dat is nog eens genade, daar kunnen we Hem alleen maar eeuwig dankbaar voor zijn! Vind jij dat ook?
Heb je een vraag aan de columnist, mail deze dan naar het columnbeheer. Je vraag komt dan op het goede adres terecht!