Waarom begon Jezus in gelijkenissen te onderwijzen?Op een zekere dag begon de Heere Jezus te spreken in gelijkenissen. Dat viel op bij de discipelen gezien de vraag die ze stelden: ‘Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?’17
Wat was nu het nieuwe in het onderwijs van Jezus? Niet zozeer het gebruik van beelden. We hebben gezien dat zowel Johannes de Doper als de Heere Jezus dat ook vaak deden. Het nieuwe was dat Jezus nu uitsluitend gebruik maakte van gelijkenissen. De gelijkenis, het verhaal, gaat niet langer samen met open onderwijs en uitleg. Vroeger maakte de Heere Jezus gebruik van beelden om Zijn onderwijs, Zijn preek te illustreren. Maar nu wordt het beeld, de illustratie de preek zelf. Je kunt het vergelijken met een film waarbij de ondertiteling ontbreekt18. De beelden op zich zijn duidelijk en je kunt ze zien, maar je weet niet wat ze betekenen. En dat is het, wat de discipelen opvalt. Zoals het ze later weer opvalt als de Heere Jezus weer vrijuit spreekt: ‘Zijn discipelen zeiden tot Hem: Zie nu spreekt Gij vrijuit, en zegt geen gelijkenis.’19
Waarom deed Jezus dat? Het antwoord vinden we in Mattheüs 13:11-13: ‘Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven. Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft. Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan’.
De Heere Jezus had al een tijd openlijk gepreekt en wonderen gedaan. Sommigen aanvaardden Hem als de Messias, anderen verwierpen Hem.20 Nu gaat Jezus op een manier preken waardoor die tweeërlei reactie nog duidelijker aan het licht komt.
De discipelen hadden persoonlijk kennis aan de verborgenheden (letterlijk staat er ‘mysteries’) van het Koninkrijk Gods. Zij begrepen de verborgenheden van dat Koninkrijk. Dat is wat anders dan het begrijpen van de verborgenheden van de gelijkenissen, want ook zij vroegen om nadere uitleg.21 Maar de discipelen geloofden in de Heere Jezus. ‘God gaf hun met het geloof in Jezus de sleutel tot de schatkamers van Zijn rijk.’22
Maar dien, dat wil zeggen de scharen, is het niet gegeven de verborgenheden te weten. Aan hen is die kennis van de geheimen van het hemelrijk niet gegeven. Want zij erkenden Jezus niet als zijnde de Messias. Ze zien de wonderen van Jezus, ze horen Zijn onderwijs, ze bewonderen Zijn daden, maar ze nemen de Heere Jezus niet echt aan door het geloof. Ze begrijpen ten diepste niet wie Hij is. Ze wijzen de gevraagde bekering en de aangeboden genade af.
Daarom gaat Jezus nu in beelden spreken. Als reactie op hun houding. ‘Het is niet zo dat Hij zich verbergt en de geheimen voor hen toesluit. Zij zijn het zelf die zich terughouden en die oren en ogen toesluiten voor de werkelijkheid van Christus.’23 Ze krijgen nu de onderwijsvorm die bij hen past. Kortom: het spreken in gelijkenissen was ten diepste een straf, een oordeel op hun ongelovige ongehoorzaamheid.24
Ik kwam ergens een beeld tegen van een ouderwetse lampenkap. Zonder zo’n kap schijnt het licht in de kamer overal even sterk. Maar als je de kap over de lamp plaatst, wordt het in de hoeken van de kamer een stuk donkerder. Zit je dicht bij de lamp, dan ontvang je gerichter en daardoor meer licht. Zoals de lampenkap het licht in de hoeken van de kamer wegneemt, zo bedekte Jezus door de gelijkenissen de betekenis van Zijn woorden. In die zin verhullen de gelijkenissen de verborgenheden van het Koninkrijk Gods voor de ongelovigen en onthullen ze die voor de gelovigen.
Matthew Henry noemt nog een andere verklaring: Namelijk: De discipelen hadden kennis, maar het volk niet. Het volk is onwetend, zij zijn nog kinderen en moeten als zodanig onderwezen worden door eenvoudige gelijkenissen, want hoewel zij ogen hebben, weten zij ze niet te gebruiken.
We gaan nu letten op de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan!
De barmhartige Samaritaan
Gij zult de Heere uw God liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven Lukas 10:27. De wetgeleerde die bij de Heere Jezus komt kan deze samenvatting van Gods wet wel netjes opsommen. Hij weet als hij de inhoud hiervan volbrengt hij het eeuwige leven verdient. Dat zegt Jezus ook: “Doe dat en gij zult leven.”
Dit lijkt in strijd met de prediking van Jezus. De inhoud daarvan is immers dat de mens, vanwege de val in het paradijs, onmogelijk Gods wet kan houden en daardoor verloren ligt. Maar Jezus wil de eigengerechtigheid van deze man ontmaskeren.
De wetgeleerde zoekt echter uitvluchten om onder Gods rechtvaardige eis uit te komen en om zijn eigengerechtigheid overeind te houden. Hij gaat voorbij aan de eis tot het liefhebben van God en stelt de vraag: “Wie is mijn naaste?”
Veelal worden de woorden: "Je naaste liefhebben" te pas en te onpas gebruikt onder Christenen. Vaak gaat het om liefdadigheid voor mensen in nood, dat wordt gezien als naastenliefde. Maar anderen zeggen dat het gaat om mensen om je heen, de mensen die je dagelijks treft. Weer anderen zeggen, nee, dat zijn de mensen van je geloofsgemeenschap. Nog weer anderen zeggen dat het de arme mensen zijn, in de derde wereld..... Misschien rijst bij jou ook de vraag: Wie is mijn naaste? Laten we eens kijken wat de Heere Jezus hier zelf over zegt!
De Heere gebruikte deze gelijkenis ter opheldering van het antwoord dat gegeven moet worden op de vraag: "Wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? Dit is een belangrijke vraag. Wij moeten nooit vergeten dat hetgeen de wet van ons eist, het Evangelie wezenlijk in ons voortbrengt. De wet zegt ons, wat wij behoren te zijn. En het is een van de bedoelingen van het Evangelie ons daar te brengen. Vandaar dat het onderwijs van de Heere, hoewel zeer praktisch, toch altijd Evangelisch is. Zelfs als Hij de wet verklaart, heeft Hij nog altijd een Evangelisch doel voor ogen. Door een hoge maatstaf van plicht te stellen bereikte Hij twee doelen: de mensen de onmogelijkheid te doen gevoelen van de zaligheid te zullen verwerven door hun eigen werken. En van de andere kant dwingt Hij de gelovigen zich niet tevreden te stellen met de sleur van de uitwendige godsdienst. Hij spoort hen aan naar de hoogste trap van heiligheid te streven. Ja, naar die voortreffelijkheid van karakter die zijn genade alleen geven kan.
De barmhartige Samaritaan is een meesterlijk geschetst beeld van ware weldadigheid. De Samaritaan stond in geen bloedsbetrekking tot de jood, Hij was van zuiver vreemde oorsprong. Toch ontfermt hij zich over zijn naaste. De Joden vloekten de lieden van Samaria en wilden geen omgang met hen hebben omdat zij indringers waren in hun land. Er was dus bij de Samaritaan niets, dat zijn nationale sympathie kon opwekken, maar wel alles, dat zijn vooroordeel prikkelde; vandaar het edele in zijn weldadigheid.
Spurgeon zegt daar het volgende van:
Citaat Spurgeon
Wij weten volkomen, dat een barmhartigheid die niet genoeg onder iemands
bereik gesteld is om er gebruik van te kunnen maken, in het geheel geen barmhartigheid is. Gaat eens onder de werklieden in één van onze steden. En zegt hun dat niemand van hun van honger of koude behoeft om te komen, wijl er op de top van de Mont Bernard gastvrije monniken wonen die in hun klooster een eetzaal hebben, waar alle voorbijgangers zich aan spijs, drank en warmte tegoed kunnen doen. Zegt hun, dat zij niets anders behoeven te doen, dan naar de Alpen te reizen, om daar overvloed van spijs en drank te vinden. Arme zielen! Zij gevoelen, dat gij de spot met hen drijft, want de afstand is veel te groot. Gaat in één van onze achterbuurten, klimt er een zestal trappen op om in een ellendig dakkamertje te komen, dat zó vervallen is, dat gij door de dakpannen heen de sterren zien kunt. En gij vindt er een jong meisje, dat de tering heeft, wegkwijnt van armoede en gebrek. Zegt haar, zo gij durft: "Als gij naar een zeebadplaats gaat en alle dagen goed, gezond en versterkend voedsel gebruikt, dan zult gij beter worden." U zou dan niets doen dan haar schandelijk bespotten - zij kan zich deze dingen niet verschaffen - zij zijn buiten haar bereik. Zij kan naar geen badplaats gaan - zij zou sterven eer zij er is. Uw barmhartigheden gelijken op de barmhartigheden van de goddelozen; zij zijn wreed. Verbeeldt u Jeremia in de diepe kerker. Indien Ebed- Melech en Baruch boven aan de put staande, hem hadden toegeroepen: "Jeremia, indien gij halverwege wilt opklimmen, dan zullen wij u optrekken" terwijl er geen ladder was,
noch enig ander middel, waardoor hij bij mogelijkheid zo ver kon komen; hoe wreed
zou dan hun barmhartigheid niet geweest zijn! Maar neen, zij nemen enige oude,
verscheurde lompen van onder de schatkamer van de koning en lieten ze met zelen af tot hem. En zeiden hem ze onder de oksels van zijn armen te leggen vanonder aan de zelen. En aldus trokken zij hem op uit de kuil. Dit was een doeltreffende
barmhartigheid.
Einde citaat Spurgeon
Ik ben bang dat het aantal barmhartige Samaritanen zeer klein is in verhouding tot de priesters en Levieten. Laten we er eens goed op letten wie het waren die aan deze in nood verkerende mens hulp hebben geweigerd.
Ten eerste, zij werden door Gods voorzienigheid naar die plaats gebracht, zodat zij hun medemens zouden kunnen bijstaan. Wat zou de Heere zelf meer hebben kunnen doen voor de arme man die daar half dood lag, dan een mens tot hem brengen om hem te helpen? Een engel zou hier toe niet zo goed in staat zijn geweest. Hoe zou een engel, die zelf nooit gewond was, er verstand van hebben om wonden te verbinden en er wijn en olie in te gieten? Nee, hier was een mens nodig die wist wat er nodig was. En die met broederlijke liefde de geest van deze arme man kon bemoedigen terwijl hij het lichaam verpleegde. In onze overzetting van de Bijbel lezen wij: "Bij geval kwam een zeker priester dezelfde weg af." Geleerden, die bedreven zijn in de Griekse taal, lezen hier: "Door een samentreffen." Het was in de orde der goddelijke voorzienigheid, dat eerst een priester bij die in nood verkerende mens kwam, om deze man te onderzoeken. En als daarna de Leviet kwam, dan zou deze dit werk kunnen voortzetten. Samen zouden zij de gewonde naar de herberg hebben kunnen dragen. Of, de een had bij hem kunnen blijven, terwijl de ander hulp ging halen. God had hen in deze positie geplaatst, maar moedwillig hebben zij die plicht verzuimd.
Zij waren allebei mannen die hem hadden behoren te helpen, omdat zij bekend waren met dingen die hun hart hadden moeten raken. Als ik de bijbel goed begrijp, dan kwam de priester af van Jeruzalem. Je kunt je afvragen waar hij heenging. Of hij opging naar de tempel en haast maakte om bijtijds daar te zijn omdat hij bang was anders de vergaderde menigte te laten wachten. Of dat hij wellicht zijn werk reeds gedaan had, zijn dienstwerk in de tempel vervuld had en nu naar huis ging. Ik denk, dat hij van Jeruzalem naar Jericho ging, omdat er staat "Bij geval kwam een zeker priester dezelfde weg af". Als er nu sprake is van een gaan naar de hoofdstad, dan heet het immer "opgaan, opgaan naar Jeruzalem. En omdat deze priester af kwam, reisde hij dus naar Jericho. Het was ook in letterlijke zin waar, want de ligging van Jericho is zeer laag. We kunnen dus concluderen dat hij naar huis ging in Jericho, na zijn maand dienst in de tempel, waar hij bekend was met de aanbidding van de Allerhoogste, zo nabij God als de mens maar zijn kan, dienende te midden van de offeranden en van de heilige Psalmen en plechtige gebeden. En toch had hij niet geleerd zelf een offer te brengen. Hij had de profetische woorden gehoord: "Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer." Maar die les was hij helemaal vergeten. Hij had dikwijls de wet gelezen: "Gij zult uw naaste liefhebben als u zelf," maar hij lette er niet op. De Leviet was wel niet zó bezig geweest in het heiligdom als de priester, maar hij was toch ook in de tempel geweest. En toch ging hij er met een hard hart van heen. Dat is een droevig feit. Zij waren dichtbij God geweest. Maar zij waren Hem niet gelijkvormig.
Er is nog iets, dat tegen deze priester en Leviet getuigd, namelijk dit: zij waren zeer goed met de toestand van die man bekend. Zij kwamen zeer dicht bij hem en zagen in welke toestand hij zich bevond. De weg die afgaat naar Jericho is zeer smal. Zij waren bijna genoodzaakt over zijn gewond lichaam heen te stappen. De eerst aangekomene zag hem aan, maar liep snel verder. De tweede schijnt enig onderzoek te hebben ingesteld, of in elk geval genoeg nieuwsgierigheid gehad te hebben om zich op de hoogte te stellen van zijn toestand. Maar, toen zijn nieuwsgierigheid bevredigd was werd zijn medelijden niet opgewekt. Zo liep hij snel verder.
Het verwaarlozen van de arme zieken komt meestal voort uit het feit, dat men niet weet dat er zulke gevallen zijn. Maar velen blijven moedwillig onwetend. En die onwetendheid is dan beslist geen verontschuldiging.
We hebben gekeken naar de onbarmhartigheid van de priester en de leviet. Laten we nu eens letten op de Samaritaan.
Wat was er nu zo bijzonder aan de daad van de Samaritaan? Reeds eerder hebben we gelet op het barmhartige in zijn daad nu willen we nog letten op het feit dat hij deze barmhartigheid bewijst aan een Jood. Ik wil dat doen door nogmaals een citaat van Spurgeon te gebruiken. Spurgeon geeft met name aan dat het om een médemens gaat op weg naar de eeuwigheid. Dát is belangrijk. Luister maar mee:
Citaat Spurgeon
Vraag toch niet of een zieke gelooft in de 5 artikelen tegen de remonstranten of instemt met de catechismus. Laat ons hopen dat hij gezond is in de leer. Maar indien hij het niet is, dan heeft hij er toch even veel behoefte aan dat zijn wonden verbonden worden als wanneer hij een volmaakte geloofsleer was toegedaan. Gij behoeft hem niet te vragen of hij wel een goed Calvinist is, want ook een Arminiaan heeft pijn als hij gewond is. Een lid van de Kerk heeft even veel pijn wanneer zijn been gebroken is als een afgescheidene. En een ongelovige heeft verpleging nodig als hij bij het een of ander ongeluk gekwetst wordt. Het is voor een mens die een onrechtzinnige geloofsleer is toegedaan even erg om te sterven als wanneer hij rechtzinnig was in de leer. Ja, in sommige opzichten is het veel erger. En daarom moeten wij des te ijveriger zijn om te proberen hem te genezen. Wezenlijke nood en ellende moeten wij proberen te lenigen zonder dat daarbij het geloof van de lijder in aanmerking genomen wordt. Dat heeft de barmhartige Samaritaan gedaan. Daarbij kwam nog dat de Samaritanen door de Joden werden gehaat. En deze Samaritaan kon ongetwijfeld gedacht hebben: "Als ik in de plaats van die man was, zou hij mij niet helpen. Hij zou mij voorbijgaan en zeggen: "Het is een Samaritaanse hond, hij zij vervloekt." De Joden waren gewoon de Samaritanen te vervloeken. Maar het kwam bij deze edelmoedige man niet op om te bedenken wat de Jood gezegd zou hebben. Hij zag hem bloedend neerliggen. En hij verbond zijn wonden. De gulden regel die onze Heiland ons gegeven heeft, is niet: "Doet aan anderen gelijk zij u zouden doen," maar gelijk "gij wilt, dat u de mensen zouden doen." De Samaritaan volgde die regel. En hoewel hij de vijandschap wel kende die er in het hart van de Jood was, gevoelde hij dat hij vurige kolen op het hoofd van de gewonde moest hopen door hem liefderijke hulp te verlenen. En daarom heeft hij hem ook zonder aarzelen geholpen. Op een andermaal zou de Jood de Samaritaan wellicht hebben afgewezen.
Einde citaat Spurgeon
Wij HEBBEN NOG EEN HOGER VOORBEELD dan deze Samaritaan - onze Heere Jezus Christus. Spurgeon denkt niet dat onze Heere door deze gelijkenis iets omtrent zich zelf heeft willen leren, behalve dat Hij zelf het grote voorbeeld is van alle goedheid. Andere verklaarders, waaronder ook Mathew Henry geloven wel dat je hierin de persoon van Christus mag herkennen.
Wij kunnen sowieso de goedheid des Heeren uit deze gelijkenis lezen. Het is het beeld van een edelmoedig man die de nooddruftigen verzorgt. Maar de edelmoedigste Mens die ooit geleefd heeft is de Man van Nazareth. En nooit heeft iemand zo voor zieken en lijdenden gezorgd als Hij. Als wij dus de barmhartige Samaritaan prijzen, dan moeten wij de gezegende Heiland nog veel meer loven. Hem, die zijn vijanden een Samaritaan hebben genoemd. En die deze beschuldiging nooit heeft afgewezen. Immers, al het vooroordeel en al de smaad die de mensen in zich hadden heeft zich uiteindelijk over Hem uitgestort.
Het is duidelijk wie hier ‘de naaste’ is. Zelfs voor de wetgeleerde, hoewel hij de verachte naam niet over de lippen kan krijgen. Wanneer door genade de liefde van God in ons hart is uitgestort, is het voor ons geen vraag meer wie onze naaste is. “Ga heen en doe gij desgelijks”, zegt de Heere Jezus. Ook wij worden geroepen niet alleen hoorders maar ook daders van Gods Woord te zijn.
Ga heen en doe gij desgelijks, Als een Samaritaan goed doet als hij een jood in nood helpt, dan doet een jood ongetwijfeld niet goed wanneer hij weigert een Samaritaan in nood te helpen. “En daarom: Ga heen en doe als de Samaritaan wanneer de gelegenheid zich voordoet: Toon barmhartigheid aan hen die je hulp nodig hebben en doe het gewillig en met betrokkenheid en medelijden, ook al behoren zij niet tot diegenen die wij cristenen willen noemen.” Deze wetgeleerde dacht dat hij Christus zelf in verwarring had gebracht. Maar Christus zendt hem in de leer bij een Samaritaan, om zijn plicht te leren. Ga heen en doe gij desgelijks. Het is de plicht van ieder van ons om allen die in nood zijn te ondersteunen, te helpen en op te beuren.
Voetnoten
- Spr. 10:20; 11:22; 20:17
- Ps. 80; Jes. 5
- 2 Sam. 12:1-4
- Luk. 3:7
- Luk. 3:9
- Luk. 3:17
- Matt. 5:13
- Matt. 5:14
- Matt. 5:15
- Matt. 7:4
- Matt. 7:15
- Matt. 9:17
- Van Bruggen wijst er in zijn boek ‘Het lezen van de Bijbel; Een inleiding’ (1986) op dat we gelijkenis en allegorie ook weer niet teveel tegenover elkaar moeten uitspelen (vanaf blz. 151). Soms loopt het door elkaar zoals in de gelijkenis van het zaad in Matt. 13.
- Matt. 13:10
- Van Bruggen, a.w. 1986, blz. 155
- Joh. 16:29
- zie o.a. Matt. 12:22-30
- Mark. 4:10
- Van Bruggen, ‘Mattheüs; Het Evangelie voor Israel’ (1990), blz. 248
- Van Bruggen, a.w. 1990, blz. 249
- In Markus 4:10-12 staat het woordje ‘opdat’ in plaats van ‘omdat’ in Mattheüs. De kanttekenaren op de Statenvertaling merken daarbij op: ‘Met deze woorden, genomen uit Jes. 6:9, wordt verklaard het oordeel Gods over degenen, die het Evangelie ongehoorzaam zijn’ . Ook daarin klinkt door dat het een oordeel van God is naar aanleiding van de zonde van het ongeloof.