God in het Oude en Nieuwe Testament
Het Bijbelgedeelte wat we net met elkaar gelezen hebben, heeft alles te maken met het onderwerp van deze inleiding. Misschien vroeg je jezelf bij het lezen van dit Bijbelgedeelte af: 'is dit de God waarin wij geloven, de God die zegt dat Hij Liefde is, die zondaren liefheeft?'. Ik kan de vraag ook anders stellen: 'is de God van het OT dezelfde God als in het NT?'
Het kan ook zijn dat je jezelf deze vraag nog nooit gesteld hebt. Dan is het denk toch goed om hier met elkaar over na te denken. We geloven immers dat er in de Bijbel sprake is van een God. Maar hoe kan het dan dat deze God zich zo verschillend aan ons openbaart?
Hierover wil ik met jullie nadenken. Ik wil het probleem illustreren aan de hand van een aantal thema's die we in de bijbel terugvinden:
1. De wraak van God,
2. Het wraakgebed (roept de bijbel ons op tot wraak over onze vijanden, net zoals de koran dat doet?)
3. De heiligheid van God (wat is ons beeld van God)
Deze drie onderwerpen komen voor in het OT. De vraag zal beantwoord moeten worden of deze thema's ook in het NT naar voren komen. We hebben het vanavond heel duidelijk over God, wie Hij is en hoe Hij handelt. Hoe kunnen wij als mensen ooit iets zeggen over God wat Hem werkelijke recht doet? Dat is mijns inziens niet mogelijk. Daarom past ons ook bescheidenheid in het nadenken over een heilige God.
Voordat ik begin met het uitwerken van bovengenoemde thema’s wil ik wat zeggen over de eenheid tussen het OT en het NT in het algemeen.
In het begin van de christelijke kerk speelde het hierboven genoemde probleem ook al. We hebben dus te maken met iets wat in alle tijden weer terug lijkt te komen. Marcion bijvoorbeeld (2e eeuw na Chr.), kon onmogelijk geloven dat de God van het OT dezelfde was als die van het NT. Hij noemde de God van het OT een strenge Schepper-God, een God van wet, recht, wraak en oorlog. Hij zei dat Jezus was gekomen om de mensen te verlossen van het regiem van deze God. De Vader van Jezus zag hij als een heel ander God, een God van liefde en barmhartigheid. Tot op vandaag kom je zulke visies op de bijbel tegen.
Wij kunnen uiteraard met deze gedachten niet meegaan, maar dat betekent niet dat we zulke vragen niet serieus moeten nemen. Door kerkvaders is daarom ook nagedacht over dit onderwerp. Zij hebben steeds gezegd dat het voor hen onopgeefbaar is om de bijbel te zien als méér dan woorden van mensen. De bijbel spreekt ook over zichzelf als de Woorden van God. Dit zelfgetuigenis van de bijbel heeft kracht en heeft mensen ervan overtuigt dat de héle bijbel het Woord van God is.
Het OT en NT horen dus bij elkaar. Je kan dat heel goed zien door te letten op de manier waarop het OT in het NT wordt aangehaald. Je komt nergens in het NT tegen dat mensen moeite hadden met bepaalde aspecten van God die je tegenkomt in het OT, zoals Gods wraak en toorn. Voor de nieuwtestamentische auteurs is de God van de Sinaï geen andere God dan de Vader van de Heere Jezus Christus.
Hoe komt het dan dat wij die moeite met het OT soms wel ervaren? Dit kan komen doordat we de bijbel te oppervlakkig lezen en daarom niet letten op allerlei verbanden die je in de bijbel kunt ontdekken. De bijbel is niet zoals de koran in één keer uit de hemel komen vallen, kant en klaar om gelezen te worden. Nee, de bijbel heeft een hele geschiedenis meegemaakt en in die zin is het dus een historisch boek. In de loop van de tijd is de bijbel dus gegroeid. Dit betekent dat ook datgene wat we van God weten, is toegenomen. God heeft eerst tot de mensen gesproken door profeten en tenslotte door Zijn eigen Zoon. Je leest dat heel mooi in Hebreeën 1:1: God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon. Naar mate de tijd vordert krijgen de gelovigen van het OT meer en meer inzicht in wie God is. Hiermee kun je niet zeggen dat bijvoorbeeld Jeremia of Jesaja God beter kenden dan bijvoorbeeld Noach, omdat zij later leefden. Wel kun je zeggen dat Jeremia of Jesaja God dieper hebben gekend dan Noach God kende. Je zou de kennis van God je voor kunnen stellen met het licht van de zon. Bij Noach viel het zonlicht door een dakraampje de zolderkamer binnen, terwijl bij Jeremia of Jesaja het zonlicht door het grote voorraam de woonkamer inviel. Het gaat om hetzelfde zonlicht, maar de intensiteit is anders!
Ik wil nog een voorbeeld noemen. Je komt in het OT best vaak teksten tegen die je doen geloven dat de andere goden die genoemd worden, ook écht bestaan. In Ruth 1:15 lezen we bijvoorbeeld dat Naomi tegen Ruth zegt: Zie, uw schoonzus is wedergekeerd tot haar volk en haar goden; keer gij ook weder, uw schoonzus na. Toch weten we uit de bijbel ook dat er maar één God is. Dat de bijbelfiguren dit zelf ook weten komt pas later. God sluit in Zijn openbaring soms voorlopig aan bij de heersende meningen en inzichten van de mensen. Dat dit voorlopig is zie je heel mooi bij oa Jesaja en Jeremia: ze gaan andere goden bespotten, omdat ze helemaal niet bestaan.
Hopelijk zie je nu een beetje in wat de rol van de tijd en de geschiedenis is geweest op de manier hoe God zich aan mensen bekend maakt. Naast deze openbaringsgeschiedenis is ook de geschiedenis van het heil hierbij van belang. Met dit laatste wordt de bijzondere weg bedoeld, die God is gegaan met Israël en later met de wereld, om Zijn kinderen uit de duisternis te brengen tot het licht. De Heere heeft keer op keer met het volk Israël een verbond gesloten, maar elke keer weer werd dat verbond door het volk verbroken. Dit maakt duidelijk dat wij mensen het zelf niet redden. Zo werd ook steeds duidelijker dat Christus moest én waarom. Met de tijd mee heeft God de profeten steeds duidelijker laten zien hoe de Messias zou zijn. Jesaja heeft van Hem geprofeteerd alsof hij ooggetuige was geweest van het leven en sterven van de Heere Jezus.
Bij het nadenken over de zogenaamde schaduwzijde aan de openbaring van God in het OT, is het belangrijk om de hierboven genoemde openbaringsgeschiedenis en heilsgeschiedenis voor ogen te houden.
Wij in onze tijd na Christus weten wie Hij is geweest en dat we in Hem geloven moeten. Kunnen we dan nu zeggen: Het OT hebben we niet meer nodig, dus gooi maar weg? Nee, want zonder het OT zullen we de rijkdom en de achtergrond van de komst van Christus nooit op de juiste waarde kunnen schatten. Iemand heeft het alsvolgt verwoord: Het OT is niet een bloem die bij de komst van Christus is verdord en nu geen waarde meer heeft, maar één, die juist daardoor nu in volle bloei is komen te staan en ons zijn diepe schoonheid toont.
De wraak van God
Na deze, misschien wat lange, inleiding wil ik nu kort ingaan op ‘de wraak van God’ of de ‘God der wrake’. Vooral deze laatste woorden kunnen angst en ontzag inboezemen, tenminste, bij mij soms wel. De toorn van God en Zijn wraak zijn dingen waar we liever niet zo veel over willen horen en ook over willen nadenken. We horen liever over God als Redder dan God als Rechter. Waarschijnlijk zal iedereen dit wel bij zichzelf herkennen. Deze voor ons minder fijne eigenschappen van God komen toch heel duidelijk naar voren in de bijbel, meer in het OT als in het NT, zo lijkt het althans. Ik zal hier straks op ingaan. Eerst iets over het bijbelgedeelte (Leviticus 26 :14-46) wat we net met elkaar hebben gelezen. Vers 1-13 spreekt van Gods zegen op het onderhouden van Zijn geboden en verbond. Heel het gedeelte van vers 14-45 spreekt van de straf van God wanneer het volk Israël niet naar Hem zal horen en al Zijn geboden niet zal doen (vs 14). De straf is veelomvattend en zeer ernstig: ze zullen worden verslagen door hun vijanden, tering en koorts zullen de ogen verteren. Wanneer dit niet helpt zal God nog daar bij toedoen, om hen zevenvoudig over hun zonden te tuchtigen (vs 18). In vers 25 komen we het woord ‘wraak’ tegen: Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak van het verbond wreken zal, zodat gij in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en gij zult in de hand van de vijanden overgegeven worden. Dus het zwaard gaat wraak nemen over de verbreking van het verbond. Wat ons uit dit gedeelte in ieder geval wel duidelijk moet zijn geworden, is dat God de overtreding van Zijn geboden en de verbreking van Zijn verbond heel serieus neemt. Met God valt niet de spotten!
Het woord ‘wraak’ heeft bij ons een heel negatieve klank. Als mij wat aangedaan wordt en ik zeg: ‘ik ga wraak nemen!’, dan voorspelt dat niet veel goeds. Ik ga dan het recht in eigen hand nemen, met alle gevolgen van dien. De betekenis van het woord ‘wraak’ zoals we die in het OT tegenkomen, is echter anders. De wraak van God is niet willekeurig en niet buiten het recht om. God staat in Zijn recht wanneer Hij Zijn volk straft op hun verbreking van het verbond. In de laatste verzen van dit hoofdstuk komt naar voren dat God ondanks de ontrouw van het volk, Zijn verbond niet zal verbreken: Maar Ik zal hun ten beste gedenken aan het verbond der voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen van de heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun een God ware; Ik ben de HEERE! (Vs 45). De hierboven genoemde wraakoefening van God betekent dat Hij juist op terugkeer tot dat verbond aandringt. Niet de wraak is hier Gods laatste woord, maar Zijn verbondstrouw!
Nú de vraag of we de wraak van God ook tegenkomen in het NT. Niet in zulke uitvoerige en duidelijke bijbelgedeelten als in het OT. Ook volgt op de zonde niet direct de straf van God, hoewel dit bij Ananias en Safira weer wel het geval was. Het heden van de tijd wordt genoemd het heden van de genade. De tijd waarin de Evangelieboodschap tot een ieder van ons komt. Deze tijd zal echter wel een einde hebben, en daarna het oordeel. Deze ‘dag der wrake’ is niet afgeschaft, maar wel opgeschort. Paulus haalt in Romeinen 12:19 een tekst aan uit Deut. 32: Wreekt uzelf niet, beminden, maar geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere. De wraak van God wordt in het NT dus volop erkent, al heeft deze meestal wel betrekking op de toekomst. Er wordt in 2 Thess.1:8-10 gesproken over de wraak van God op de mensen die God niet kennen en het Evangelie ongehoorzaam zijn: Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. Dewelke zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte, wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag.
Ik denk dat het zo duidelijk is geworden dat hierin geen principieel verschil te vinden is tussen het OT en het NT. Gods wraak kan ons bang maken, maar het is denk ik beter als de wraak van God voor ons een aansporing is om Hem te zoeken en te vinden. Want door het bloed van de Heere Jezus zijn we veilig voor Gods wraak, omdat onze zonden dan bedekt zijn. Onder andere Psalm 2:12 roept ons hiertoe op: Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
Het wraakgebed
Het tweede wat ik wil behandelen gaat over het wraakgebed. Je zou het ook ‘vloekbeden’ kunnen noemen. Gebeden, waarin aan God gevraagd wordt of Hij de vijanden wil straffen. Je kunt ook denken aan teksten waar de grimmigheid van af spat, die je met afschuw vervullen. In de Psalmen kom je beide tegen. Bijvoorbeeld: Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderen grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal (Ps 137:9) of De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddelozen (Ps 58:11) of Ps 59:1a: Verteer hen in grimmigheid; verteer hen, dat zij er niet meer zijn. Zulke teksten lijken toch wel op bepaalde teksten uit de koran? Je hoeft weinig moeite te doen om een christelijke Jihad vanuit de bijbel te rechtvaardigen. Door veel mensen worden op deze manier de bijbel en de koran op één hoop geveegd. Gelukkig is er wel degelijk verschil tussen beide boeken! Het grote verschil is dat deze bijbelgedeelten aangeven dat we niet het recht in eigen hand mogen nemen. We leggen het oordeel in Gods hand. Veel wraakbeden eindigen daar ook mee: Grijp in, Heere, opdat de wereld kan zien dat er een God is die recht doet op aarde. In tegenstelling tot de koran vind je in de bijbel nergens de oproep dat wij, desnoods met geweld, het koninkrijk van God op aarde moeten vestigen.
Over wraakbeden is nog meer te zeggen, maar vanavond gaat het vooral over vraag of je dit ook in het NT zo tegenkomt. Wraakgebeden lijken nl nogal sterk in tegenspraak te zijn met bijvoorbeeld de uitspraak van de Heere Jezus, toen Hij hing aan het kruis: Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen. In de bergrede staat: Maar Ik zeg u, hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen. Een groter contrast kun je bijna niet bedenken! Kunnen we dus zeggen dat het wraakgebed door het NT is achterhaald? Het antwoord zal wel ‘nee’ zijn, maar dan vraag ik: waarom dan niet?
In het NT komt je ook een aantal ‘wraakbeden’ tegen, bijvoorbeeld: Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maranatha, de Heere komt! (1Kor.16:22). En in Galaten 1:8: Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een ander Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Hoewel er wel degelijk verschillen zijn, is niet zo dat in het NT het wraakgebed wordt veroordeeld. In het NT wordt het wraakgebed wel op een specifieke manier toegespitst. De verandering ten opzichte van het OT is, dat de wraakbede nu helemaal betrokken is op de voortgang van de Evangelieverkondiging en op het komende oordeel. Wie zich tegen dit Evangelie keert, wacht het eindgericht! Het gericht van God is in Christus principieel voltrokken. Hierdoor is de bede om directe straf van God veranderd. Toch stijgt ook nu in noodsituaties het wraakgebed nog omhoog. Een gebed, geleid door de Heilige Geest, niet tegen een persoonlijke vijand, maar tegen de vijanden van Gód. In de beden Verlos ons van de boze en Uw koninkrijk kome klinkt eigenlijk ditzelfde door. De Heidelbergse Cathechismus zegt van de bede Uw koninkrijk kome dit: Dat is: Regeer ons alzo door uw Woord en uw Geest, dat wij ons langer hoe meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder uw kerk; verstoor de werken des duivels en alle heerschappij, welke zich tegen U verheft, mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Uw Heilig Woord bedacht worden; totdat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen.
De heiligheid van God
Aan de hand van twee thema’s, de wraak van God en het wraakgebed, hebben we met elkaar nagedacht over eenheid tussen het OT en het NT. We hebben gezien dat er verschillen zijn, maar vooral ook overeenkomsten. Mijn verhaal is niet afdoende voor dit probleem, maar hopelijk heb ik wel enkele vragen kunnen verhelderen.
Als afsluiting wil ik nog iets zeggen over ons Godsbeeld, dus het beeld dat wij mensen maken van God. Als je de bijbel leest, zal je ongetwijfeld opvallen dat God zich op heel verschillende manieren aan mensen kan bekendmaken. Dat kan zijn in donder en bliksem, of in het ruisen van een zachte stilte, in toorn en grimmigheid of in liefde en genade. Hoe moeten wij nu omgaan met deze verscheidenheid aan eigenschappen van God? Hoe kunnen we ons nu een éénduidig beeld van God vormen, als Hij zich zo verschillend aan ons bekend maakt? Sowieso moeten we met elkaar vaststellen dat elk beeld wat wij van God maken, tekort doet aan wie Hij werkelijk is. Ook nu moeten we dus in bescheidenheid hierover spreken.
Toch hebben we de mogelijkheid gekregen om God te leren kennen, ook al is dat nu niet volmaakt. Hij heeft ons Zijn Woord gegeven. Ondanks alle verschillende eigenschappen en namen van God die we in de bijbel tegenkomen, is er ook één constante te zien. Die constante, is het woord ‘heilig’. Dit woord kom je elke keer weer tegen in de bijbel. ‘Heiligheid’ is een eigenschap die ons mensen totaal niet eigen is. Daarom is God de Gans Andere, de Heilige, gescheiden van al het onheilige. Gods heiligheid bepaalt ook Zijn andere eigenschappen, Zijn liefde is heilige liefde, Zijn toorn is heilige toorn. Heilig is Zijn Naam!
De heiligheid van God kan ons vervullen met vrees. Ik denk dat dat aan de ene kant heel goed is. In de spiegel van Gods heiligheid zien we onze eigen onheiligheid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan Johannes op Patmos, die als dood aan Zijn voeten viel, toen de Heere hem verscheen. Aan de andere kant is God in Christus een liefdevolle Vader, die zondaren die in Hem geloven, Zijn kinderen wil noemen. Deze twee kanten kom je in heel de bijbel tegen. Daarom is het belangrijk om onszelf af te vragen, wat ons beeld van God is. Kennen we Hem alleen als een toornige Rechter, zijn we alleen bang van Hem? Dan is ons beeld van God eenzijdig. Zien we God alleen als onze Vriend, die ons overal meehelpt, en die vooral heel genadig is, dan is ons beeld van God ook eenzijdig. Bij de apostel Johannes zien we heel goed beide aspecten terug komen. Hij wordt de apostel der liefde genoemd, hij schreef God is Liefde, maar Hij wist ook wat de heiligheid van God betekende, zoals je ziet in het genoemde voorbeeld uit Openbaringen.
Ik wil afsluiten met deze opmerking. Laat Gods heiligheid en rechtvaardigheid ons aansporen om heilig te leven voor Hem en laat Gods liefde en genade voor zondige mensen ons aansporen om door het geloof tot de Heere Jezus te gaan. Maar zonder geloof is het onmogelijk God te behagen. Want die tot Hem komt moet geloven dat Hij is, en een Beloner is van de degene die Hem zoeken (Hebr. 11:6).