Weergave

(+16 & +19) Registreer of log in:

Inleiding Job

Honger, aids, overstromingen, oorlogen, zinloos geweld, epidemieën, rouw, moord, haat, kanker, handicaps, ongelukken. Hoeveel woorden zijn er niet die een haast onpeilbaar diep lijden weerspiegelen? Hoeveel mensen zijn er niet die bijna ondraaglijk lijden?

Honger, aids, overstromingen, oorlogen, zinloos geweld, epidemieën, rouw, moord, haat, kanker, handicaps, ongelukken. Hoeveel woorden zijn er niet die een haast onpeilbaar diep lijden weerspiegelen? Hoeveel mensen zijn er niet die bijna ondraaglijk lijden? Zelfs wanneer we zomaar op straat lopen of in onze nabije omgeving rondkijken worden we geconfronteerd met lijden. Misschien zijn er in je eigen leven sporen van diep lijden getrokken. Vragen rijzen dan, vaak ongewild, op: Is er wel een God die de wereld bestuurt? Als God er al is, bestuurt Hij de wereld dan wel rechtvaardig? Deze vragen zijn niet nieuw. Ze worden de eeuwen door steeds weer gesteld. Die vragen komen we ook tegen in het boek Job.
In deze inleiding willen we naar het boek Job kijken om vanuit wat Job heeft meegemaakt in te gaan op de vele vragen rondom het lijden.
We willen achtereenvolgens de volgende onderwerpen bespreken:
1) Het boek Job in het algemeen: wanneer is het geschreven, hoe is het ingedeeld.
2) Het lijden van Job
3) Vragen rondom het lijden in het algemeen en in het bijzonder rond Jobs lijden.

Het boek Job

Het boek Job is één van de mooiste boeken van het oudste testament. Het behoort tot de zogenaamde wijsheidsliteratuur.
De vraag rijst of Job daadwerkelijk een historisch persoon is, of dat het een ‘verzonnen’ verhaal is, dat geschreven is ter lering en onderwijzing. In de inleiding bij het boek Job in de Statenbijbel met Kanttekeningen staat hierover het volgende: ‘Het is historie, omdat het een waarachtig verhaal is, van hetgeen dat geschied is, en niet een moreel vertoog of poëtisch verdichtsel van hetgeen geschieden kan; wat blijkt uit de namen van de personen, volken en landen daarin gemeld, maar in het bijzonder uit de getuigenissen van de profeet Ezechiël en van de apostel Jakobus, Ezechiël. 14: 14 . Jakobus 5: 11 , sprekende van Job als van een waardig persoon die zo in de wereld geleefd had, dat hij Gode zeer aangenaam en de mensen een voorbeeld van deugden geworden was.’
Over de datering van het boek willen we ons niet uitlaten. De verklaarders geven allemaal andere dateringen, zoals: in de tijd van Abraham, in de tijd van Izak en Jakob, in de tijd van de patriarchen, in de tijd van Mozes, juist vóór de tijd van Mozes of in de koningentijd. Er is dus nogal wat onenigheid over. De meeste verklaarders hebben een goede reden waarom het juist in die tijd is, die zij op het oog hebben.

Evenals in Spreuken en Prediker staat in dit boek de wijsheid centraal (Job 28). Het boek begint en eindigt met een stuk in verhaalvorm, de proloog, het voorwoord: Job 1 en 2 en de epiloog, het nawoord: Job 42: 7-17.  Het overige gedeelte van het boek is in poëzie geschreven, waarvan het grootste gedeelte in gespreksvorm is geschreven. In het eerste deel vindt het gesprek plaats tussen Job en zijn drie vrienden, Elifaz, Bildad en Zofar. Vervolgens krijgt Elihu het woord. Tenslotte vindt er een gesprek plaats tussen God en Job.
In de vroegchristelijke kerk werd het boek Job gelezen in de passieweek, de week voorafgaande aan Pasen. De reden hiervan is dat het lijden van de rechtvaardige in dit boek centraal staat, zoals ook de Heere Jezus als de Rechtvaardige geleden heeft.

Het lijden van Job

Voordat we naar het lijden van Job willen gaan bespreken, kijken we eerst naar zijn situatie vóór het lijden. Wat was Job voor een man? In Job 1: 1 staat het volgende over Job: ‘Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht en vroom en godvrezende en wijkende van het kwaad.’ Er staan in het eerste vers dus vier, uitsluitend positieve, kenmerken van Job. Hij is oprecht. Hierover zegt kanttekening 3 van de Statenvertaling dat dit ook vertaald kan worden met ‘eenvoudig’, waarmee bedoeld wordt de ongeveinsdheid in het geloof, vertrouwen op God en liefde jegens de naaste. Het tweede kenmerk is dat hij vroom: op zijn gedrag tegenover God en mensen viel niets aan te merken.  Vervolgens wordt Job ‘godvrezende’ genoemd, wat wil zeggen dat hij God aanbad. Ten slotte is Job ook ‘wijkende van het kwaad’: alles vermijdend wat in de ogen van God en mensen niet door de beugel kan.  Deze opeenstapeling van woorden is bedoeld om ons duidelijk te maken dat er niets aan Jobs vroomheid ontbrak; de werkelijkheid en de zuiverheid van zijn vroomheid is namelijk de onderstelling, waarop de gehele hier opvolgende geschiedenis rust .
Job had zeven zonen en drie dochters had. Ook had Job veel vee en veel personeel. Het geluk, de voorspoed van Job bestond dus uit deze drie punten: 1) zijn verhouding met God, 2) veel kinderen en 3) veel materieel bezit.

Gesprek tussen God en de satan

Hierna volgt het gesprek tussen God en de Satan. God zegt tegen de satan: ‘Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.’  De satan zegt dan tegen God: ‘Natuurlijk is Job vroom en gehoorzaam. U zorgt wel dat hij daar voordeel van heeft, door hem te overladen met rijkdommen en zegeningen. Neem die zegeningen weg, en laten we dan eens zien hoe lang hij Uw gehoorzame dienaar blijft. God reageert in vers 12 op het verzoek van de satan: ‘Zie, al wat hij heeft zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit.’ God laat dus toe wat de satan aan Hem vroeg, met een beperking: ‘alleen aan hem strek uw hand niet uit.’ Het valt op dat de satan geen ogenblik draalt. Hij maakt gretig van de hem geboden gelegenheid gebruik om Job in diens bezittingen te treffen, want hij heeft er behagen in om te verderven. 

Het lijden

Het eerste deel van Jobs lijden wordt beschreven in Job 1: 13-22. Het eerste deel van het lijden valt in vier delen uit één: 1) de aanval van de Sabeeërs, 2) een bliksem die de schapen en hun herders treft, 3) de aanval van de Chaldeeën en 4) het verlies van al zijn kinderen.
1)  De aanval van de Sabeeërs (vers 14-15):
De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen waren bij hen aan het weiden. Toen kwamen echter de Sabeeërs, die een inval deden en de jongens sloegen met het zwaard.
2) Een bliksem die de schapen en hun herders treft (vers 16):
Een bliksem trof de schapen met hun herders en verteerde hen. Als er noodweer op handen is, dringen de dieren dikwijls opeen, zodat weinig bliksemstralen voldoende zijn om hen met hun herders te doden .
3) De aanval van de Chaldeeën (vers 17):
De Chaldeeën vielen de kamelen aan en sloegen de jongens met het zwaard.
4) Het verlies van al zijn kinderen (vers 18-19)
Wanneer de zonen en dochters van Job in het huis van hun broer aan het eten en wijn drinken waren, stak er een zware storm op, die het huis vernietigd, zodat al zijn zonen en dochters sterven.
 
Job krijgt geen tijd om het ook maar een klein beetje te verwerken of te laten bezinken; de ene bode is nog niet uitgesproken of de volgende komt al met een spreekwoordelijke jobstijding. Steeds staat er dat ene zinnetje: ‘Als deze nog sprak, zo kwam een ander en zeide’, waarop de volgende onheilsboodschap volgde. Als de aanzeggingen van de onheilstijdingen voorbij zijn, scheurt Job zijn mantel en scheert hij zijn hoofd, valt ter aarde en buigt zich neer (Job 1: 20). Zo toonde hij, dat hij zich bewust was van de hand des HEEREN, die tegen hem was uitgegaan. Toch gaf hij zich niet over aan een buitensporige hartstochtelijkheid. Hij bewaarde zijn kalmte te midden van al deze rampen . In Job 1: 21 spreekt Job zijn overbekende woorden: ‘Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen en naakt zal ik daarheen wederkeren. De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen, de naam des HEEREN zij geloofd.’ Deze uiterlijke rust en het loven van de naam van God door Job is heel bijzonder. Het gaat zelfs zó ver dat de Bijbelschrijver opmerkt dat Job in dit alles niet zondigde en God niets ongerijmds toeschreef (Job 1: 22)

Tweede gesprek tussen God en de satan

Na dit lijden van Job komt de satan opnieuw bij God. God noemt weer de alle positieve kenmerken van Job, zoals dat in hoofdstuk 1 ook is gebeurd, en zegt vervolgens tegen de satan: ‘…en hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt om hem te verslinden zonder oorzaak.’ De satan reageert hierop met de volgende woorden (Job 2:4-5): ‘Huid voor huid, en al wat iemand heet, zal hij geven voor zijn leven. Doch strek nu Uw hand uit en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen! De satan vraagt God nu ook om Jobs gezondheid aan te tasten en hij verzekert God dat Job Hem dan zal zegenen (dat is: vervloeken). Ook met dít voorstel van de satan stemt God in, maar met één beperking: Job moet wel in leven blijven (Job 2:6).

Het lijden (2)

Het tweede deel van Jobs lijden wordt beschreven in Job 2: 7-10. De satan gaat onmiddellijk naar Job om hem te slaan met ‘boze zweren’ (Job 2:7). Medici denken in dit verband aan de pokken. Job nam een potscherf en schrabde zich daarmee en zat temidden van het as. Geen van degenen voor wie hij vroeger vriendelijk geweest was, betoonde zoveel dankbaarheid om hem in zijn nood te dienen, hetzij, omdat de ziekte afschuwelijk was en stinkend, of, omdat zij vreesden dat de ziekte besmettelijk was .
De eerste die Job aantreft in deze situatie is zijn vrouw. Van haar heeft hij echter niet veel goeds te verwachten. Ze zegt: ‘Houdt gij nog vast aan uw oprechtheid? Zegen (dat is: vloek) God en sterf.’ Zij dringt er bij hem op aan God vaarwel te zeggen. Ze geeft Job een goddeloze raad. Zo spoort zij hem aan te doen wat satan graag zou willen.  Job weerspreekt haar echter en zegt dat ze ‘als een der zottinnen’ spreekt (Job 2: 10): ‘Ja, zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen?’

Gesprek met zijn vrienden

Hierna volgen de gesprekken tussen Job en zijn vrienden: Elifaz, Bildad en Zofar. We willen dat niet uitgebreid behandelen, dat zou veel te veel tijd vragen. De vrienden houden er een strakke vergeldingsleer op na: alle leed is straf op de zonde; hoe groter het leed, des te erger de zonde; Job moet dus wel een heel groot zondaar zijn. Ze vragen hem naar zijn schuld. Job zegt echter steeds dat hij onschuldig is. Deze gesprekken nemen het grootste gedeelte van het boek Job in. 
Hierna komt een nieuwe persoon naar voren. Het is Elihu. Elihu beschuldigt Job niet als de vrienden van grove zonden; zijn toon is milder; maar Jobs onbehoorlijke woorden hebben hem toch wel erg bedroefd. Hij zegt dat God niet onrechtvaardig handelt en dat gerechtigheid de mens wel baat, maar God niet. De mens heeft baat bij recht in de wereld. Vervolgens zegt Eluhi dat beproeving bekering beoogt. In het slot van zijn rede spreekt Elihu over Gods majesteit in de natuur

Tenslotte treedt God zelf op als middelaar tussen Job en de vrienden. God spreekt over Zijn almacht in de schepping en zijn voorzienigheid. Hoe durft Job met God te twisten en de heiligheid van Zijn wegen in eigen leven in twijfel te trekken? Job verootmoedigt zich dan voor God. Dan gaat God in op het feit dat hij over Gods onrechtvaardigheid heeft geklaagd. God stelt Job met heilige ironie voor om het wereldbestuur van Hem over te nemen. Hierna toont God Zijn almacht door twee voorbeelden uit de natuur: het nijlpaard en de krokodil. Na deze rede van God zelf herroept Job zich in het begin van Job 42 en doet boete. Gods rede heeft Job tot zwijgen gebracht. Hij is diep onder de indruk van Gods grootheid en zijn eigen kleinheid. Zijn Godskennis is verdiept. Daarom herroept hij wat hij vroeger gezegd heeft en geeft uiting aan zijn diep gevoeld berouw.

Job in eer hersteld en zijn hernieuwde voorspoed

Hierna worden de vrienden eerst door God terechtgewezen. Vervolgens geeft God Job dubbel zoveel als wat hij eerst had: veertienduizend schapen, zesduizend kemels, duizend juk runderen en duizend ezelinnen. Bovendien kreeg hij weer zeven zonen en drie dochters.
Het boek Job eindigt met de Job 42: 17: ‘En Job stierf, oud en der dagen zat.’

Vragen rondom dit thema

Waar komt het lijden vandaan?
‘Waren er geen zonden, dan waren er geen wonden’. Een uitdrukking die regelmatig gebruikt wordt om (iets van) het lijden te verklaren. Hoewel deze uitdrukkingen in concrete situaties van lijden koud en gevoelloos over kunnen komen, zit er een kern van waarheid in. We leven immers na de zondeval, en dus buiten het paradijs. De wereld heeft God de rug toegekeerd en gekozen voor de gehoorzaamheid aan de satan. Met de zondeval is het kwaad, en daarmee het lijden, in de wereld gekomen. Het eerste hoofdstuk na de zondeval beschrijft al de eerste moord (Genesis 4). Na de zondeval kan de mens van nature niets anders dan kiezen voor de zonde. Het gevolg is het lijden. Er is een duidelijk verband tussen onze zonde en het lijden in het algemeen.
Veel minder duidelijk is dit verband aan te wijzen bij het lijden in specifieke situaties. Denk aan de vraag van de discipelen over de blindgeborene: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind zou geworden zijn? Jezus antwoordt hen dat er geen direct verband is tussen de blindheid van deze man en de zonde van hem of zijn ouders (Johannes 9: 2-3). Over de mensen op wie de toren in Siloam viel vraagt Jezus hetzelfde: meent gij, dat dezen schuldenaars zijn geweest boven alle mensen die in Jeruzalem wonen? (13: 4). En het antwoord van de Heere Jezus op deze vragen is duidelijk en waarschuwend: Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan (13: 3 en 5).

Waarvoor moeten mensen lijden?

Er worden vaak verschillende redenen gegeven waarom mensen moeten lijden. Sommigen zien het als een straf op een zonde, anderen als een beproeving. Daarnaast zijn er ook mensen die het als een noodzakelijk kwaad zien. Het hoort nu eenmaal bij de gevallen wereld. Thomas Boston geeft in zijn boek ‘Het kromme van het levenslot’ de volgende redenen waarom mensen moeten lijden: ter beproeving, opwekking, overtuiging, kastijding of bestraffing, voorkóming van de zonde, ontdekking van zonde en beoefening van het geloof.

Waarom moest juist Job zo lijden?

Waarom moest hij zo lijden? God zegt toch zelf van hem in Job 1: 8 dat hij ‘oprecht en vroom en godvrezende en wijkende van het kwaad’ was. Als goddelozen moeten lijden, kunnen we dit heel goed begrijpen. Dat moet namelijk de straf op hun zonden zijn. Als Job echter moet lijden, die rechtvaardig is, is het een stuk moeilijker om te begrijpen. Job begreep het zelf ook niet waarom hij moest lijden. In Job 3 klinkt zijn verzuchting door: was ik maar nooit geboren! ‘Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder aan, en heb den geest gegeven als ik uit den buik voortkwam?

Matthew Henry geeft de volgende vier verklaringen voor het lijden van Job

  • Tot Gods heerlijkheid:
    Door Job te vernederen,  zal Job zich verootmoedigen voor God en zal God uiteindelijk alle eer en heerlijkheid krijgen. In Job 42 spreekt Job hierover: ‘Ik weet dat Gij alles vermoogt en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden. (…) Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as’
  • Tot eer van Job:
    Na Jobs vernedering wordt Job zeer verhoogd door God. Eerst zet God recht wat de vrienden van  Job hebben aangedaan (Job 42: 7-9). Vervolgens krijgt Job zijn bezit dubbel terug en krijgt hij  weer tien kinderen. Zijn eer is hersteld, ja, zelfs vermeerderd.
  • Tot verduidelijking van Zijn voorzienigheid:
    Alles gaat zoals God in zijn wijs beraad voor de tijden der eeuwen heeft besloten. Niets ontgaat  aan zijn gezag. Het is met Job gegaan zoals God het wilde, het is Hem niet uit de hand gelopen.  Het leidde tot het doel dat God voor ogen had.
  • Tot bemoediging van Zijn beproefd volk in alle eeuwen:
    God weet wat Hij doet. Hij doet nooit iets voor niets, het is al tot zijn eer. God zal alles tot een  goed einde brengen.

Dit was in het kort wat over het lijden van Job en de vragen rondom dat thema. Jobs lijden was zeer zwaar. Wij vinden het heel bijzonder hoe Job steeds reageert. De meeste mensen zullen, als ze in een dergelijke situatie terecht zouden komen, ernstig depressief worden of zelfs zelfmoord zouden plegen. Het is Gods leiding in Jobs leven die er voor zorgt dat Job stand kan houden. Hij krijgt kracht en wijsheid van God. Job is een type van Christus. Het lijden van Job heeft overeenkomsten met het lijden van Christus. Job klaagt dat hij van allen vervreemd is en zelfs zijn vrienden als vijanden tegen over zich vindt; bij de Heere Jezus is het niet anders. Job klemt in het lijden, tegen hoop op hoop, aan God vast; Christen doet dat ook. Job wordt door God gerechtvaardigd en verheerlijkt en bidt voor zijn vijanden; van Christus lezen wij hetzelfde. Alleen de loutering door het lijden kent Christus niet, omdat Hij de volstrekt loutere is.