Het kwaad in de mens
In het Bijbelgedeelte was we zojuist gelezen hebben confronteert Paulus ons weer met ons bestaan. Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Hoe vaak hebben we het niet vanaf de kansel of waar dan ook gehoord. Het is een uitdrukking die we zo vaak hebben gehoord dat deze ons haast niet meer raakt.
Aan de ene kant hoort het kwaad helemaal in deze wereld. Het is spannend en velen amuseren zich ermee. In hoeveel films zien we niet de strijd tussen goed en kwaad, een spookhuis is bij kinderen erg in trek en naar een ongeval of een huis dat in vlammen opgaat kijken we ook graag. Ja, het kwaad zit in ons, al van jongs af aan. Ik kwam daar pas weer achter toen ik mijn neefje van 2 bezig zag. Hij kan nog niet eens praten en toch heeft hij drommels goed door dat je niet aan de taart van een ander mag zitten. Al meerdere keren is hij daarvoor gewaarschuwd en aangepakt. En dan toch met dat handje richting die taart terwijl hij stiekem kijkt of z’n moeder het ziet. Nu lachen we om een dergelijk kwaad en we noemen het liever 'ondeugendheid', maar naarmate de kinderen ouder worden gaat de lol toch er toch al snel vanaf.
Wat houdt het ‘kwaad’ waar we het over hebben eigenlijk in. Van Dale geeft het woord ‘kwaad’ drie betekenissen:
- iets dat in strijd is met de moraal
- nadeel
- onheil, ongeluk
Vooral de eerste betekenis moet ons wakker schudden. Kwaad hoort helemaal niet in deze wereld. Het is in strijd met de moraal die God in het paradijs heeft bepaald. Weet je trouwens dat het eerste woord kwaad dat in de Bijbel voorkomt, gesproken is door de duivel zelf. Die begint er over in genesis 3 : 5 Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.
We zullen daar straks dieper op ingaan.
Eerst nog even de tweede en derde betekenis van het woord kwaad. Nadeel, onheil en ongeluk. Iets wat in strijd is met de moraal vindt de mens nog wel spannend, daar kunnen we ons nog wel in vermaken maar wanneer het gaat over kwaad als lijden, dan raak je de mens en worden we stil.
Aan het begin van een jaar presenteert de media ons een terugblik op het afgelopen jaar. Zo presenteert RTL nieuws ons het jaaroverzicht van 2007. Ook ‘de Telegraaf’ geeft een boek uit met de titel ‘het jaar 2007’. Ondanks dat deze boeken volstaan met afbeeldingen en teksten waar je kotsneigingen van krijgt, verkopen deze boeken als warme broodjes. Mag ik enkele berichten noemen uit het jaaroverzicht van 2007?
- Ontvoerde BBC-verslaggever omhangen met bomgordel
- Vrouw in Bijenkorf liet baby eerst vallen
- Ruim 200 doden bij bomaanslag in Irak
Mag ik deze krantenkoppen nog onderstrepen met enkele foto’s?! Deze foto’s vragen mijns inziens geen tekst. (foto’s) Al de hele menselijke geschiedenis komen dergelijke verschrikkelijke dingen voor, maar vandaag aan de dag wordt al deze ellende je behoorlijk confronterend onder ogen gebracht.
Bij het doorbladeren van een dergelijk ‘jaaroverzicht’ schieten er steeds weer vragen door je heen. Een veelvoorkomende vraag is dan ‘waarom?’ Dit ‘waarom’ kan twee kanten opgaan. ‘Waarom het lijden?’ of ‘Waarom het kwaad?’ Natuurlijk liggen deze vragen dicht bij elkaar. Het lijden is tenslotte een gevolg van het kwaad. Toch wil ik me in deze inleiding vooral richten op de bron van al deze ellende, namelijk het kwaad. Als voorbeeld wil ik daarbij een verhaal nemen over oorlogslachtoffers. Het begrip ‘Holocaust’ zegt je hierbij misschien genoeg.
Sosja
Enige tijd geleden publiceerde een Oostenrijks tijdschrift de kampherinneringen van de overleden verzetsvrouw en latere politica Rosa Jochmann. Jochmann was tijdens de Tweede Wereldoorlog blokoudste in het vrouwenkamp te Ravensbrück, waar ze zeven jaar gevangen gehouden werd. Ze vertelt in haar herinneringen het volgende hartverscheurende relaas over Sosja, een Pools meisje van zeventien en één van haar ‘beschermelingen’.
De Poolse vrouwen en meisjes werden na de jodinnen het ergst door de SS op de huid gezeten. Sosja moest in de keuken van de SS aardappels schillen. Op een gegeven moment stak ze van pure honger een stuk rauwe aardappel snel in de mond. Een bewaakster zag het en rapporteerde het voorval. Twee weken later volgde het verhoor, dat uitliep op een veroordeling tot 25 stokslagen.
Die veroordeling hield in dat de ongelukkige op een soort bok werd vastgebonden, met handen en voeten in klemmen. Het onderlichaam naakt om de slagen op te vangen, die gegeven werden met een knoet. Op het moment dat Sosja deze straf onderging zat Jochmann zelf al vijf maanden vast in een cel in de bunker, waar het zo aardedonker was dat ze geen hand voor ogen kon zien. ‘De slachtoffers waren verplicht de slagen te tellen. Misten ze er één, dan werd die nogmaals toegediend. Je kon in je cel elke slag horen. Mijn Sosja heeft erbarmelijk gekrijst. Na 25 slagen wierpen ze haar in een aangrenzende cel.’ Via een klopsysteem lukt het beide vrouwen dan contact met elkaar te maken. Zodoende wist Rosa precies hoe het de arme Sosja verging. Na de afranseling bloedde ze verschrikkelijk. ‘Drie dagen en vier nachten riep Sosja om haar moeder. Steeds opnieuw de hulproep om haar moeder. Maar die moeder kon Sosja niet bijstaan. De gillen gingen over in zacht gemurmel. En dan, in de vierde nacht werd het heel stil in de cel naast mij. Sosja was niet meer’.
Tot zover dit aangrijpende relaas. Uiteraard roept dit tal van vragen op, bij ieder mens. Waarom gebeuren dit soort dingen in onze wereld? Hoe kunnen die SS-ers zo diep vallen dat ze zulke praktijken verrichten? Waarom greep God niet in in het lot van Sosja, al was het alleen maar door ervoor te zorgen dat Sosja na afloop van haar straf niet als een beest hoefde weg te sterven, maar kon genezen? Als God dan almachtig is, waarom voorkwam en voorkomt Hij zulk verschrikkelijk onrecht dan niet?
Dat soort vragen stellen we natuurlijk niet alleen hij dit verhaal. Er is zo ontzaglijk veel verschrikkelijk lijden in de wereld. Dit betreft nog maar één mens, en ook alweer ruim zestig jaar geleden. Wat is er sinds die tijd niet allemaal nog meer afgeleden in de wereld. Op dezelfde manier als Sosja, door oorlog en martelingen. Of door niets en niemand ontziende terreur. Een bomaanslag kan er vandaag de dag toe leiden dat tientallen mensen tegelijkertijd er van de ene op de andere seconde eenvoudig niet meer zijn. Niet alleen worden ze uit het leven weggerukt, maar ook hun uiteengereten lichamen zijn domweg niet meer terug te vinden. Dat is eigenlijk haast onvoorstelbaar: dat je het ene moment gewoon gezond op straat wandelt, en er het volgende moment hoegenaamd niets meer van je over is.
Nu behoren bomaanslagen, zeker in West-Europa, gelukkig tot de uitzonderingen. Maar gaat het er bij de in onze samenleving vrijwel dagelijkse verkeersongevallen met dodelijke afloop niet haast net zo aan toe? Ook dan zijn luttele seconden doorgaans genoeg om een gruwelijk eind te maken aan het leven van tot op dat moment gewone en vaak gezonde mensen.
Oorlogsgeweld, terreur, verkeersongevallen - het zijn nog maar een paar voorbeelden van (oorzaken van) menselijk lijden. Ziekten en handicaps hebben we dan nog niet eens genoemd. Men kan van de eerste categorie voorbeelden nog zeggen dat ze grotendeels de verantwoordelijkheid van de mens zijn, maar bij ziekten en handicaps is dat doorgaans niet het geval. Dat maakt de vraag naar Gods doen en laten ten aanzien van het lijden alleen maar dringender.
Natuurlijk komt niet elk mens in zijn leven evenveel met lijden en verdriet in aanraking. Lijden en kwaad zijn in onze wereld overduidelijk ongelijk verdeeld. De één krijgt haast alles te verwerken, de ander - zo lijkt het althans - haast niets. Dat maakt het leed voor de eersten alleen nog maar schrijnender. Vaak heeft het kwaad de vorm van een neerwaartse spiraal, waarbij de ene tegenslag de volgende al haast oproept. Een leven in maatschappelijke armoede maakt de kans op ziekten groter; en een kind dat in een moeilijke, instabiele thuissituatie opgroeit (bijvoorbeeld in een gebroken gezin) heeft grotere kans dan anderen om zelf een instabiel karakter te ontwikkelen - met alle levenslange gevolgen van dien. Wie een ernstige chronische ziekte heeft, loopt daardoor ook een meer dan normale kans op psychische depressies, enzovoort.
En dan hebben we het tot dusver alleen nog maar over het lijden van mensen. Ook de natuur lijdt veel meer dan we zo op het eerste gezicht zouden denken. Ze lijkt zo mooi, moeder natuur, maar ze is vaak onnoemelijk wreed. Zo is er een voorbeeld van een vader die zijn zoon vertelt over Gods voorzienigheid: ‘Zie eens, mijn zoon, hoe wijs de Heere alles gemaakt heeft. Die vogel legt zijn eieren in zijn eigen nest. De jongen zullen uitkomen tegen de tijd dat er wormpjes en vliegjes zijn om deze te voeden. Dan zingen ze een loflied ter ere van den Schepper die de schepselen overlaadt met weldaden...’ Waarop zoonlief vraagt: ‘Maar zingen die wormen dan mee, papa?’ Openlijker en directer dan elders geldt in de natuur: de één z’n dood is de ander z’n brood.
Het trilemma
Voor veel mensen is het kwaad in de wereld een oorzaak om het geloof vaarwel te zeggen. Zij achten het eenvoudig onmogelijk dat een God die zowel almachtig als volmaakt goed is een wereld geschapen zou hebben waarin zoveel leed en verdriet voorkomt als in de onze. En zij trekken daaruit de conclusie dat als er een God bestaat, het in ieder geval niet de almachtige en liefdevolle God is die ons in de Bijbel getekend wordt. In veel gevallen trekken zij zelf de conclusie, dat er geen God bestaat en dat wij overgeleverd zijn aan de grillen van de natuur of van het noodlot. Op deze manier is het kwaad in de wereld dus een belangrijk argument voor atheïsten. Velen noemen het als de voornaamste reden om in het persoonlijk leven God de rug toe te keren, en het geloof in Hem voortaan als illusie te beschouwen. Zo hebben velen in hun jeugd het geloof in God al opgegeven, simpelweg omdat ze geloof niet meer in verband konden brengen met het kwaad en lijden dat de in de wereld om zich heen zagen plaatsvinden. Om deze reden wordt het probleem van het kwaad wel de ‘rots van het atheïsme’ genoemd. In filosofische termen verandert men ‘het probleem van het kwaad’ in het ‘trilemma van het kwaad’. De filosofie geeft hierin weer waar die atheïsten dan op vastlopen. Het trilemma bestaat uit een drietal stellingen, die volgens de atheïstische kritiek onmogelijk alle drie tegelijk waar kunnen zijn. Wie eerlijk is zal minstens één van de drie claims moeten opgeven. Het gaat hierbij om het volgende drietal:
- God is almachtig
- God is volmaakt goed
- Er is kwaad in de wereld.
Omdat de laatste stelling te bewijzen is, ontkomt men er niet aan om dus te ontkennen dat God goed is of te ontkennen dat God almachtig is. En daarmee is vervolgens duidelijk dat de almachtige en liefdevolle God die in de Bijbel en in de christelijke traditie verkondigd wordt niet kan bestaan.
Natuurlijk vinden wij hier allemaal dat de atheïst in deze ongelijk heeft. Maar, stel je voor dat een atheïst jou dit trilemma voorhoudt. Kun je uitleggen hoe het dan wel zit? Kun je hem antwoord geven op zijn vragen? Om hier een antwoord op te geven zullen we ons moeten verdiepen in Gods almacht, Gods goedheid en het kwaad. Geen van deze drie mogen we en kunnen we ontkennen. Toch zullen we aan één stelling moeten sleutelen om het trilemma van het kwaad nader te kunnen verklaren.
Ik wil eerst in deze C.S. Lewis aan het woord laten, de grootste apologeet van de 20e eeuw. Hij was tevens schrijver en letterkundige. Lewis was in zijn jeugd atheïst maar is later tot geloof gekomen. Hij verdiept zich in ingewikkelde problematiek, zoals dood, zonde en dit onderwerp.
Ik hoop niet dat je het denken van Lewis klakkeloos overneemt want dat is niet mijn bedoeling. Ik hoop wel dat het je tot nadenken zet. Ik heb juist de gedachten van Lewis in mijn inleiding verwerkt om onze ex-voorzitter Hans tegemoet te komen. In zijn laatste nieuwjaarstoespraak zei hij: “Je moet mensen prikkelen en niet alleen boeken gebruiken die in je eigen straatje te pas komen”. Het zal overigens niet makkelijk zijn om alles van Lewis te begrijpen. Eenvoudige antwoorden geeft hij niet, maar wel het overwegen waard.
Lewis
Lewis stelt dat een God die goed is en een God die liefde is goed samen kan gaan met het kwaad in deze wereld. Als God, aan de ene kant, verstandiger is dan wij, zal hij over allerlei dingen anders denken dan wij, zeker als het om goed en kwaad gaat. Wat ons kwaad lijkt is misschien in Zijn ogen goed, en wat ons kwaad lijkt is misschien niet werkelijk kwaad. Maar als Gods oordeel zo sterk van de onze verschilt, betekenen de woorden ‘God is goed’ niets meer. We kunnen dan alleen nog maar zeggen ‘God is heel anders dan wij’. We kunnen wel zeggen dat Gods goedheid anders is dan de onze, maar niet totaal anders. Dit kunnen we aflezen in de Bijbel. Christus vraagt de mensen zich te bekeren en dat zou geen zin hebben als Gods normen totaal anders waren dan de normen die wij al hanteren maar toch overtreden. Als we over Gods goedheid spreken, bedoelen we tegenwoordig vrijwel alleen maar Zijn Liefde. Met liefde bedoelen we in dit kader dan meestal vriendelijkheid. We zouden het liefste hebben dat God over alles wat wij graag doen zou zeggen: ‘Wat geeft het, als ze maar gelukkig zijn’. We moeten echter goed het onderscheid maken tussen liefde en vriendelijkheid. Dat is niet hetzelfde. Een dierenarts is vriendelijk voor dieren, maar dit leidt hem er vaak toe om ze af te maken, om hun het lijden te besparen. Nog een voorbeeld: Om onze vrienden, onze kinderen en onze geliefden geven we veel. We zien hen liever lijden dan dat ze gelukkig zijn op een weg die naar het verderf leidt. Als God liefde is, is Hij per definitie meer dan alleen maar vriendelijkheid. Uit heel de Bijbel blijkt dat Hij ons nooit veracht, hoe vaak Hij ons ook heeft vermaand en veroordeeld. De relatie die God met de mens heeft is daarom uniek en haast niet te begrijpen. Hij geeft ons voortdurend ons leven: onze nietige maar wonderbaarlijke vrije wil passen wij toe in een wereld van voorwerpen die slechts door Zijn energie blijven voortbestaan. Ja, zelfs ons denkvermogen functioneert alleen doordat Hij ons Zijn kracht verleent. We kunnen alleen maar door gebrekkige voorbeelden een gebrekkig, maar toch nuttig inzicht krijgen in Gods liefde voor de mens.
Daarom nog één voorbeeld: Als een schilder iets voor een kind tekent om het bezig te houden, zal het niet al te veel werk maken van het doek. Hij zal het al gauw goed vinden, al is het niet precies wat hij bedoelde. Maar voor zijn mooiste doek, zijn levenswerk, spant hij zich eindeloos in. Hij zou het schilderij, als het voelen kon, eindeloos kwellen. We kunnen ons voorstellen dat een schilderij met gevoel, nadat het voor de tiende keer is uitgeveegd en afgekrabd en weer opgezet, wenst dat hij niet meer dan een losse krabbel zou zijn die in een paar tellen klaar is. Zo is het ook begrijpelijk dat wij wensen dat God een minder glorieuze en veeleisende bestemming voor ons had ontworpen; maar dan vragen we niet om meer, maar om minder liefde.
Samenvattend kunnen we dus zeggen dat Lewis stelt dat het kwaad nodig is om ware liefde tot God te bewerkstelligen.
Lewis is één van de velen die in des geschiedenis geprobeerd heeft om de knoop van het trilemma te ontwarren in plaats van door te hakken. We moeten en mogen dit altijd alleen doen aan de hand van de grote woorden van de christelijke geloofsleer: schepping en zonde, menswording en kruis, heiliging en voleinding. Eigenlijk is de hele heilsgeschiedenis zoals de Bijbel ons die tekent niets anders dan een getuigenis van de wijze waarop God zich in Zijn almacht en goedheid tot het kwaad verhoudt en het uiteindelijk overwint. God wilde de mens als persoon scheppen en daarmee gaf Hij de mogelijkheid tot het kwaad. Gods almacht houdt nu eenmaal niet in dat God innerlijk tegenstrijdige dingen kan uitrichten. Het was dus om zo te zeggen ‘zelfs’ voor God onmogelijk om mensen te scheppen die Hem werkelijk zouden kunnen liefhebben en die niet tegelijkertijd ook de mogelijkheid hadden om tegen Zijn bedoelingen in te gaan. Liefde veronderstelt immers vrijheid, en laat zich niet afdwingen. Waren wij niet in staat geweest tot zondigen, dan waren wij robots geweest en geen mensen. En dan zou God met ons dus ook slechts het type relatie kunnen aangaan dat men met robots kan aangaan. Hij zou ons volledig naar Zijn hand moeten zetten. God wilde echter met de mens een persoonlijke relatie aangaan, die in waarde en betekenis ver uitstijgt boven elke onpersoonlijke relatie. Dat God juist op deze persoonlijke relatie met ons uit was, is een duidelijke blijk van Zijn goedheid en liefde.
In ons spreken over de zonde moet vervolgens de werkelijkheid van het kwaad aan de orde komen, als de absurde werkelijkheid van de menselijke keuze tegen God. Deze werkelijkheid van het kwaad mogen we voor geen millimeter op rekening van God zetten. Alles was en is er immers voor te zeggen om op Gods liefde in te gaan. De mens koos er echter vrijwillig voor om dat niet te doen, en bevestigt die keuze nog altijd duizendvoudig door het leven wat hij leidt. Hij doet dat onder meer in de wijze waarop hij zijn medemens tegemoet treedt. De dood van Sosja en van Elly V. en miljoenen andere slachtoffers is niet te wijten aan een constructiefout in de schepping waar wij verder buiten staan, maar aan grof en vaak opzettelijk misbruik van onze menselijke handelingsruimte.
Kortom, toont de schepping van de mens zowel Gods almacht als Gods goedheid, de zonde laat zien hoezeer het kwaad in die schepping een realiteit is geworden. Beide lijnen vinden we terug in de menswording van Christus en kruis. Hierin zien we nog beter Gods goedheid. God wil ons niet kwijt en heeft er Zichzelf voor gegeven om ons te behouden. Hierin zien we ook weer Gods almacht terugkomen. Juist door zwak te worden en te verliezen wint God de strijd, ja wint Hij de mens terug.
Hierin zien we tegelijkertijd het verschil tussen het Christelijk geloof en al die andere religies.
Alle andere religies beperken zich tot geboden en beloften, adviezen en aansporingen die de mens van hoger hand bereiken. Het verhaal van Gods menswording gaat veel verder. Het laat zien hoe God Zelf in onze ellende en nood inging en erin onderging. Hoe Hij zo volkomen als God én volkomen als mens, de schuld en het kwaad op zich nam en ontmantelde, zoals bleek in Zijn opstanding uit de dood.
Terugblikkend op dit ingewikkelde trilemma moet ik misschien concluderen dat de vragen rondom het kwaad lang niet allemaal beantwoord zijn. Wel hoop ik dat we door Christus rust vinden in het feit dat er kwaad en lijden is. Dat we weer een keer realiseren dat God goed is en dat wij kwaad zijn. Het valt niet mee om geduldig te blijven en volgzaam als het kwaad ons treft. Het zou een aparte inleiding waard zijn om daar dieper op in te gaan: hoe overleef je als het kwaad je treft. Weet wel dat Gods beloften eens voltooid zullen worden. Ik wil daarom afsluiten met een gedicht van Isaäc da Costa:
Aan de eindpaal van de tijden
Ziet ons oog de geest van ’t kwaad
Moe geworsteld en ontwapend
Tot geen afval meer in staat.
Als de Heere God in allen
En in allen alles is
Zal het licht zijn, eeuwig licht zijn
Licht uit licht en duisternis.
Zingen: Psalm 147 : 2 en 3