Weergave

(+16 & +19) Registreer of log in:

De gelijkenis van de verloren zoon

De gelijkenis is de derde in een reeks van drie. Eerst een schaap, onwetend, uit medelijden opgezocht door de Heere Jezus. Daarna de penningen, op zichzelf niet erg, ze houden hun waarde en vergaan niet, zoals het schaap. Toch worden ze opgezocht door God, om de waarde die ze hebben. Daarna een zondaar die zijn eigen weg wel bepaalt. Ook die wordt daar God tot inkeer gebracht. Het lijkt erop dat de Heere Jezus waarde toekent in vergrotende trap. Eerst gaat het er om een van de honderd, daarna om een van de tien, daarna om een van de twee. De drie gelijkenissen gaan over blijdschap. In de hemel is er blijdschap over een zondaar die Jezus nodig krijgt.

Lezen: Lukas 15: 1,2 en 11-32
Zingen: Psalm 25: 4 en 6

Het zijn in de Bijbel de tollenaren en zondaren die Jezus opzoeken en Zijn hulp nodig blijken te hebben. Het roept de afkeer van Schriftgeleerden en Farizeeën op, zij vinden het vreemd dat de Heere Jezus eet met tollenaren en zondaren. Het gaat hier om ongegronde kritiek. De drie gelijkenissen maken dat duidelijk.

We hebben de gelijkenis veel gehoord; de gelijkenis van de verloren zoon. Op de lagere school was je al onder de indruk van de vader die de jongste weer aannam als zijn zoon. Hij kleedde hem weer met dure kleren en deed zijn ring om de vinger van de zoon. In gedachte zag je vaak de mooiste taferelen voor je. Het ging vaak over de eerste zoon. Over het levensverhaal van de eerste zoon. We blijven er soms bij hangen. Alsof er geen vervolg is. En dat, terwijl de Heere Jezus de gelijkenis eigenlijk vertelde om het laatste gedeelte, waarin de oudste zoon aan bod komt.  

Ik wil me daar nu dus vooral op richten. Met het verhaal van de oudste zoon houdt de Heere Jezus Zijn luisterende (vooral kritische) Farizeeën de spiegel voor. Zij lijken op die oudste zoon, en daarmee staan ze haaks op de engelen in de hemel die zich verblijden.
De Heere komt heel dichtbij in de gelijkenis van de vader en zijn twee zonen, de toepassing is ook heel belangrijk…! De Heere zoekt het verlorene… weten we dat, zijn we daar dankbaar voor?

De oudste zoon wordt boos:
1. Waarom wordt de oudste boos?
2. Op welke manier laat hij die boosheid blijken?
3. De vaderlijke bestraffing

 Ad. 1 Waarom wordt de oudste boos?

Aan het einde van Jezus’ gelijkenis komt de oudste zoon op de voorgrond. Hij was er aan het begin even: Een zeker mens had twee zonen. Hij is de oudste, dus het familiebezit komt hem toe. Hij heeft de meeste verantwoordelijkheid. Dit is misschien wel de reden geweest dat de jongste gezegd heeft. Ik ga hier weg, misschien is de spanning wel hoog opgelopen.
   
Wat een verdriet is dat voor de vader geweest. De oudste heeft het allemaal gezien en meegemaakt. Misschien heeft de oudste jongen gezegd dat zijn broer toch niet deugde en… híj was er toch nog? Hij werkte hard. Aan het slot van de gelijkenis staat het. Zijn oudste zoon was bij de terugkeer van de jongste in het veld. Hij deed zijn best. Dagelijks was hij aan de slag. De vader kon op hem rekenen als het daarom ging.

Je zou je misschien kunnen afvragen waarom de oudste er vanaf het begin al niet bij is, maar de oudste is druk, hij is op het land.

Na een tijdje komt hij terug. Het feest is al in volle gang. Erg ongewoon, het past niet bij zijn vader na het pijnlijke vertrek van zijn broer. Daarom vertrouwd hij het eigenlijk niet. Er is meer aan de hand! 

Hij kiest ervoor een knecht te roepen. Voor nadere inlichtingen. Informatie inwinnen en eens zien waarom hij van heel dit feest niet weet.
De Heere Jezus vertelt hoe de knecht het probleem aanvoelt. De knecht spreekt niet over de terugkeer van de jongste. Alleen: Uw broeder is gekomen en uw vader hééft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weer ontvangen heeft. Hier blijkt het wijze antwoord van de Heere! De knecht drukt zich voorzichtig uit.  Het gezicht van de oudste sprak waarschijnlijk boekdelen en dan moet je nog meer op je woorden letten… Wijselijk bemoeit de knecht zich niet met familiekwesties. Hij zegt niet meer dan het strikt noodzakelijke. Uw broeder, zegt hij… - dat hij al lange tijd geleden was weggegaan en als verloren werd beschouwd laat hij achterwege en ongenoemd – is gekomen. Wat er tussendoor gebeurt is laat de knecht achterwege. De komst wordt als verheugend gezien, het gemeste kalf is geslacht. De vader heeft hem gezond terug ontvangen. Hij heeft hem weer gekregen! Goed beschouwd kan de oudste er zijn winst mee doen. Die oudste kan naar binnen vliegen, als een haas naar zijn vader lopen om hem te feliciteren en op zijn broer afstormen en hem omhelzen… Gedeelde vreugd is dubbele vreugd…

Maar nee, het is anders. Het tegendeel vindt plaats. Maar. Je zou het niet verwachten, maar toch is het zo, wat in vers 28 staat beschreven: Maar hij werd toornig en wilde niet ingaan. Hij is razend. Hier is het laatste woord nog niet over gezegd. Er moeten nog harde woorden vallen… Die verspiller is terug en nu heeft zijn vader zonder overleg een feest georganiseerd. Zijn vader kon niet eens wachten tot hij thuis was… Ze hadden toch eerst samen eens kunnen praten… en met de jongste had best een pittig gesprek mogen plaatsvinden, per slot van rekening had hij de goede naam van de familie vergooid. Het is de jongste nu wel erg gemakkelijk gemaakt… Vader had hem in feite nooit meer binnen moeten laten…

Begrijpelijke gedachten die voortkomen uit zijn (en vaak uit ons) egoïsme. De jongste dacht bij het weggaan alleen aan zichzelf. De oudste daarentegen niet minder, hij is in zijn eer gekrenkt, het is zijn eer te na om met die verspiller van een broer nog onder één dak te zitten…

Zouden de Farizeeën ook niet graag gezien hebben dat Jezus naar hun oordeel vroeg? Maar Hij vraagt niet naar hen, Hij laat Zich de vreugde niet ontnemen die er is over een verlorene die wederkeert, een zondaar die komt om Hem te horen. Wat is ons egoïstische gedrag gevaarlijk! We zien het al bij Jona, en de discipelen.
God de Vader wordt hier betwist. In Zijn vrijmacht, in Zijn liefde, in Zijn ontfermen.
Ons ‘ik’ haat in feite God en gunt de medemens het licht in de ogen niet. Ons ‘ik’ wil de splinter in de ogen van andere mensen verwijderen, zonder de balk in het eigen oog te zien. Godonterend, liefdeloos… Een zaak om ons druk over te maken!

Ad 2 Op welke manier laat hij zijn boosheid blijken?

De toorn van de oudste is duidelijk zichtbaar. Hij wil niet ingaan. Terwijl de vader dan in liefde uitgaat om hem te smeken binnen te komen, want de vader wil zijn jongen niet in zijn egoïsme en deugdzaamheid zien ondergaan. Hij geeft ook de aandacht aan zijn oudste zoon.
We zien hier een biddende, smekende vader. Dat is Jezus’ boodschap. Welke reactie volgt? Hoe gaat de oudste met dit tere en liefdevolle gebaar om? In vers 29 en 30 staat het. Wat een taal. Het toppunt van egoïsme. Hij roemt zichzelf en beklaagt zich. Hij vindt dat hem onrecht wordt aangedaan. Hoe zouden wij reageren?
Zie, ik dien u nu zovele jaren en heb nooit uw gebod overtreden. Misschien is ‘t waar. Dan nog is het een aparte uitspraak. Ik dien u nu zovele jaren… De vader kan hem zeggen dat hij alleen maar zijn plicht heeft gedaan en dat hij daarbij ook zijn eigen belang diende. En heb nooit uw gebod overtreden… dat is iets anders dan ‘ik heb altijd uw wil gedaan en uw gebod volbracht en uitgevoerd’. Hij kan dan wel de geboden niet overtreden hebben maar daarmee beantwoordt het nog niet aan de eis van de gehoorzaamheid. Er mist iets in het hart van de broer tegenover zijn vader. Het is meer het antwoord van een knecht, niet van een kind. Hij beschouwt zich als een slaaf die in dienst is geweest en het werk heeft gedaan en niet als liefdevolle werken voor de vader. Vergelijk het eens met de wens die de jongste had toen hij naar huis terugkeerde en hoe het ging…
Daarom zegt de oudste ook in vers 29b: en gij hebt mij nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn… U gaf mij geen bokje - alsof hij een gewone knecht was  en niet het volste recht had. Een bokje – alsof niet de hele veestapel ook van hem was. Met mijn vrienden vrolijk te zijn… ook dit is opvallend… geen vreugde met vader, niet met zijn jongere broer, nee, een eigen kringetje…  Hij is liever onder de knechten…
De taal van de jongste is heel anders: Ik ben niet meer waardig…

Over de jongste heeft de oudste geen goed woord. Hij praat lelijk over hem. Alsof zijn broer een hoerenloper is. Minachtend noemt hij het: uw zoon. Teruggekomen??? Nee, wat terug? Hij is gekomen! En hij heeft uw goed met hoeren doorgebracht. Uw goed. Was het dan niet zijn eigen deel? Met hoeren heeft hij het doorgebracht. De bekende overdrijving van het kwaad genoemd. Dat hij overdadig leefde is waar, maar dat hij werkelijk zulke zonden heeft begaan, daarvan is niets gezegd. Al zou het waar zijn, dan zou de oudste dat pijnlijke verleden, dat oude leven met de mantel der liefde moeten bedekken. Maar nee, grof spreekt de oudste en de vader krijgt het verwijt dat hij voor zo’n figuur het gemeste kalf heeft geslacht. Vader, u hebt zich schuldig gemaakt aan de wet gelijke behandeling, u hebt de ondeugd beloond en het deugdzame leven bestraft en miskend.

Een duidelijk sprekende gelijkenis aan Zijn hoorders, door Jezus gegeven. Er staat ook: En Hij zeide een gelijkenis tot hen die zichzelf rechtvaardig achten… Ze zijn met zichzelf ingenomen, zij stellen regel op regel vast. Terwijl Jezus met tollenaren en zondaren omgaat, aanzit en drinkt… Ze zijn als het ware gekwetst door Zijn manier van doen. Ze zijn blind. Zullen ze door de tekening van de oudste tot inkeer komen? Hoe zien wij de gelijkenis? We zien hier het oordeel van God. Miskenning van God, de boze neiging om vrienden te zoeken die wij leuk vinden en die in ons straatje passen, in plaats van de vreugde met God en de Zijnen…

Ad 3 Vaderlijke bestraffing

Wat kan de Vader nu tegen de zoon zeggen? Redeneren helpt waarschijnlijk niet. Er volgt een vermaning. Die lezen we in vers 31. En hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe!
Het woord ‘kind’ is hier opvallend. Een indringend woord dat uit de mond van de Vader klinkt. Kind… Zei de jongste niet dat hij het niet meer waard was een kind genaamd te worden. Kind. We horen de liefde weer uit de stem van de vader. De vader behandelt de zoon niet zoals wij dat zouden doen. Hij laat de oudste duidelijk zien dat hij nóg zijn kind is en niet zijn knecht. Zoals de jongste ook was gebleven. Dan hoeft hij niet over een bokje te beginnen, want wat van de vader is, is ook van hem.
Maar het belangrijkste staat in vers 31: gij zijt altijd bij mij. Dat is hij vergeten, dat heeft hij waarschijnlijk zelfs nooit erkend. Hij mocht altijd bij de vader zijn, hij was niet afgedwaald zoals zijn broer, de vader was bij hem en van hem.
De Heere geeft de Farizeeën de les en ook ons de les: vers 32, Men behoorde dan blij te zijn, want deze uw broeder is dood en is weder levend geworden.
Een mens die het ziet, een mens die op zijn plaats is, die zal verheugd zijn en blijdschap tonen. Want deze uw broeder, ook al erken je hem niet meer als zodanig, die voor jou dood was en is en blijft, is levend geworden door zijn berouwvolle terugkeer. Gevonden door mijn liefde is hij hier weer.

Ik hoef weinig verder te zeggen. We zijn nieuwsgierig hoe het verder gegaan is. Hoe dit afgelopen is. We willen graag horen of de zoon nog naar binnen is gegaan, of hij nog berouw heeft getoond naar zijn vader, of dat hij zich verhard heeft en op zijn pad verder is gegaan. of dat hij zich verhard heeft en vader in de kou heeft laten staan. Het staat er niet. Geen woord meer. Waarom niet? Hoe zou dat komen?

Het antwoord is duidelijk: Het is geen geschiedenis maar een gelijkenis!! De zaak ligt nog open. De Heere wil de Farizeeën tot nadenken brengen. Het gaat om inkeer en bekering. Het antwoord mogen en moeten Jezus’ hoorders geven. De beurt is aan de Farizeeën en de Schriftgeleerden. De Heere heeft gesproken. Zijn woord van rijke genade is uitgegaan. Wat zullen zij zeggen? Wat zal hun reactie zijn? Zich bekeren van hun eigengerechtigheid, of zich verharden en Hem verwerpen. Het antwoord wordt ook van ons gevraagd, niet alleen in ons spreken, maar ook in onze leefwijze. In de hemel is er vreugde over elke zondaar die zich tot Hem bekeert!

Zingen: Psalm 86: 6 en 9