De christenreis naar de eeuwigheid
De eerste +19 verenigingsavond is er een inleiding gehouden over het boek 'De christenreis naar de eeuwigheid', geschreven door John Bunyan.
Drie onderwerpen stonden centraal:
- De christenreis in het algemeen
- Het verhaal in vogelvlucht
- Enkele personen besproken
In de bijlage kun je de bijbehorende powerpoint presentatie downloaden.
Ten geleide
Bunyan schreef dit werk in 1675 in de gevangenis. Het werd uitgegeven in 1678. In minstens 125 talen en dialecten werd het vertaald. Inmiddels zijn er heel veel Engelse uitgaven.
De eerste Nederlandse vertaling verscheen bij Joannes Boekholt in Amsterdam in 1682. Men denkt dat Koelman de vertaler is. Maar dat is niet zeker. De eerste drukken van Eens Christens Reyse volgden elkaar snel op. De tweede kwam reeds in 1683, de vierde in 1684, de vijfde in 1687.
Gedurende de eerste periode en in de 18e eeuw verschenen talloze uitgaven in ons land, waaronder sinds 1729 edities met aantekeningen van Ds. Lambertus van Beveren.
Hoe meer het rationalisme ook in ons land wortel schoot en het moralisme beslag legde des te minder werd Bunyan's Christenreis gelezen.
Met het Reveil en de Afscheiding nam de belangstelling niet alleen weer toe als nooit tevoren. De eerste druk van Boekholt beleefde, nagenoeg ongewijzigd, in de 19e eeuw druk op druk. De zesde druk verscheen in 1863.
In de twintigste eeuw zijn ook verschillende soortgelijke edities verschenen met de negen gravures van Luyken. Naast deze "volksuitgaven" verschenen sinds het midden der 19e eeuw ook grotere en meer geïllustreerde edities. Soms zijn de illustraties té (weelderig) geworden en steken zodoende enigszins af tegen de sobere verhaaltrant.
Zo begint de christenreis:
Toen ik door de woestijn van deze wereld wandelde, kwam ik aan een plaats, waar een spelonk was. Daar legde ik mij neer om te slapen.
Ik droomde en zie, ik zag op zekere plaats een man staan, met gescheurde en vuile klederen bekleed (Jes. 64:6), staande met zijn gezicht van zijn eigen huis afgewend (Luc. 14:33), met een boek in zijn hand en een grote last op zijn rug (Hab. 2:6, Hand. 16:30). Ik bemerkte ook, dat hij het boek opende en er in las; en, als hij stond te lezen, begon hij te huilen en te beven; en, daar hij niet bij machte was, om zichzelf te bedwingen en in te houden, brak hij uit in deze droevige woorden: “Wat zal ik doen?” (Hand. 2:37).
Op deze wijze verteld Bunyan over zijn vertrek uit de stad verderf op zoek naar de mogelijkheid om te kunnen ontvlieden aan de toorn Gods op weg naar Sion
De christenreis in vogelvlucht
Vanuit de stad verderf tot het verliezen van zijn zondenpak
Op een dag loopt Christen buiten. Hij leest weer in het boek. Bedroefd roept hij: “Wat moet ik doen om zalig te worden?” Er komt een man naar hem toe. Zijn naam is Evangelist. “Waarom huilt u zo?” vraagt hij. Christen zegt:”Ik lees in dit Boek dat ik moet sterven, maar ik kan niet sterven.” “Waarom kunt u niet sterven?” vraagt Evangelist. “Mijn zonden zijn zo groot en zwaar,” zegt Christen “Waar moet ik toch heen?” Evangelist geeft Christen een oude boekrol. “Ziet u daar in de verte het poortje?” vraagt hij. “Nee,” zegt Christen.
“Ziet u dan dat licht ver weg?” “Ik geloof dat ik het zie,” zegt Christen. “Ga in de richting van het licht, dan zult u ook het poortje zien. Daar moet u kloppen en daar zal Iemand u zeggen wat u doen moet.”
Christen begint te lopen in de richting van het licht. Twee buren besluiten hem achterna te lopen. De ene buurman heet Halstarrig en de andere Gezeggelijk.
Ze halen Christen in. “Wat komen jullie doen? ” vraagt Christen. “We komen je terughalen naar huis.” “Dat kan helemaal niet,” zegt Christen. “Jullie wonen in stad Verderf. Als je daar blijft, ga je voor eeuwig verloren. Ga maar met mij mee dan zul je leven!”
Buurman Halsstarrig gaat terug naar huis. Gezeggelijk blijft bij Christen. Christen leest voor uit de Bijbel en vertelt hoe heerlijk het in de hemel is. “Dat is prachtig,” zegt Gezeggelijk. “Laten we sneller lopen, dan zijn we er gauw.” “Ik kan niet zo snel,” zegt Christen. “Mijn rug is gebogen door het zware pak van zonden.”
Al pratend komen ze bij een moeras. Het is Moeras Moedeloosheid. Ze letten niet goed op en zakken beiden in de modder. Gezeggelijk klimt eruit en gaat terug naar de stad Verderf.
En Christen? Hij zakt steeds dieper weg in de modder. Gelukkig komt er een Helper, die hem uit de modder trekt.
Christen wordt door iemand van de goede weg afgelokt. Evangelist zoekt hem weer op en wijst hem het goede pad. De weg naar de enge poort.
Na een poosje ziet Christen het poortje. Boven de gesloten deur staat: Klopt en u zal open gedaan worden. Christen klopt en hij houdt aan. Hij bidt: “Mag een zo groot zondaar binnenkomen?“ De poortwachter opent de poort en trekt hem met een ruk naar binnen.
Dicht bij de poort staat het kasteel van Beëlzabul. Hij schiet zijn scherpe pijlen in de richting van de pelgrims .
De Poortwachter wijst Christen de weg naar het huis van Uitlegger. In het huis van Uitlegger ziet Christen dingen, die hij op zijn reis goed moet onthouden. In een kamer zitten twee kinderen. Het ene kind heet Hartstocht en het andere heet Geduld. Hartstocht kijkt heel ontevreden. Geduld is kalm en tevreden. Iemand komt de kamer binnen en zet een zak vol mooie dingen voor Hartstocht neer. Direct pakt het kind de zak, maar even later heeft hij alles kapot gemaakt.
Uitlegger neemt Christen mee naar de tuin. Daar brandt een vuur dicht bij een muur. Er staat Iemand, die voortdurend water op het vuur gooit. De vlammen laaien steeds hoger op. Hoe kan dit? Uitlegger neemt Christen mee naar de andere kant van de muur. Daar staat een Man, Die olie op het vuur giet. “Wat betekent dat?” vraagt Christen. “Het vuur is de liefde van God in het hart van Zijn kinderen,” zegt Uitlegger. “De duivel probeert die liefde steeds te blussen. Dat lukt hem niet.” “De Man aan de andere kant van de muur is Christus. Hij zorgt ervoor dat het vuur van de liefde nooit uitgaat.”
Christen heeft veel geleerd in het huis van Uitlegger, maar hij moet verder. Hij komt bij een heuvel. Bovenop de heuvel staat een kruis. Als Christen naar het kruis kijkt, raakt het pak van zijn rug los. Het rolt een ravijn in. Er komen drie engelen naar Christen toe. De eerste zegt: ”Uw zonden zijn u vergeven.“ De tweede geeft Christen een nieuwe mantel. De derde geeft hem een boekrol. Deze rol moet Christen bij de hemelpoort afgeven.
De grote strijd
Op zijn weg komt Christen in een mooi paleis. Hij krijgt in de wapenkamer van dat paleis een harnas aan. Hij krijgt een helm op zijn hoofd, een zwaard aan zijn zijde en een schild in zijn hand. Hij verlaat het paleis en daalt een heuvel af.
Als hij in het dal komt, is hij blij dat hij een harnas heeft. Hij ziet een lelijk monster op hem afkomen. Het is Apollyon, de duivel. Apollyon kijkt minachtend op Christen neer.“ Waar kom jij vandaan en waar ga je heen?” vraagt hij. Christen vertelt dat hij uit de stad Verderf komt en op weg is naar de stad Sion.” “Dan ben je uit mijn land weggelopen,” zegt Appolyon. “Ga terug, dan zal ik je rijk belonen.” ”Nee,” zegt Christen, “Ik dien een andere Koning.” “Zal die Koning je nog willen ontvangen, je bent Hem zo vaak ontrouw geweest.” “Dat is waar, maar mijn Koning wil dat vergeven,” zegt Christen.
Apollyon wordt nu heel boos. “Ik ben een vijand van die Koning”, roept hij. Hij schiet een groot aantal vurige pijlen op Christen af. Christen vangt ze op met zijn schild. Toch raken sommige pijlen zijn hoofd en zijn handen. Hij raakt gewond. Apollyon vecht door. Christen wordt al zwakker. Dan valt Christen en zijn zwaard vliegt uit zijn hand. “Nu heb ik je,” brult Apollyon. Maar hij juicht te vroeg. Christen kan zijn zwaard weer oppakken en geeft Apollyon een dodelijke steek. De duivel deinst terug. Nog eens slaat Christen en roept de hulp van de Heere in. Apollyon slaat op de vlucht. Christen zegt: ”Ik dank de Heere die mij verlost heeft uit de macht van deze draak.”
Door de rivier naar de Hemelstad
Christen is al bijna bij de Hemelstad. Hij heeft een vriend gekregen die de naam Hopende draagt. Ze komen dicht bij een rivier. Die rivier is diep en er is geen brug. ”Is er geen andere mogelijkheid om de poort te bereiken?” vragen ze aan de blinkende gestalte die bij hen loopt.
“Als je in de Koning gelooft, dan kom je er wel door,” zegt de man. Ze stappen de rivier in. Christen begint te zinken en roept: ”Ik zink in diepe wateren!” “Wees niet bang,” roept Hopende, “Ik voel de bodem al.” Hopende kan het hoofd van Christen net boven water houden. “Ik zie de poort al Christen,” zegt Hopende. “Daar zul jij komen, maar ik niet,” antwoordt Christen. Hopende wijst Christen naar boven. Dan roept Christen: ”Ik zie de Koning weer!”
Beiden klimmen veilig aan de overkant. Twee mannen in blinkende kleren nemen Christen en Hopende mee. Bij de poort worden Christen en Hopende begroet door een menigte blinkende gestalten. Ze laten hun toegangsbewijs zien. Het is de boekrol die ze bij het kruis gekregen hebben. Dan wordt de poort opengedaan. Ze krijgen kleren die blinken als goud. Er zingt een koor van engelen: “Heilig, heilig is de Heere!”
Aan het einde van de Christenreis schrijft Bunyan over een andere man, die Christen en Hopende op hun weg ontmoet hebben. Hij draagt de naam Onkunde. Hij is door Christen gewaarschuwd, maar wilde niet luisteren. Onkunde is ook aan de oever van de rivier aangekomen. Voor hem is het oversteken van de rivier niet zo moeilijk. Hij maakt gebruik van een bootje, dat de naam IJdele Hoop draagt. Als hij bij de poort komt, klopt hij op de poort. “Waar is je toegangsbewijs?” vraagt men. Onkunde kan niets laten zien. Onkunde wordt vastgebonden aan handen en voeten en wordt in een brandende put gegooid.
Bunyan schrijft: Toen ontwaakte ik en ziet het was een droom.
Personen/Passages
Onkunde (volgende plaat)
Ik zag in mijn droom dat Hopende omkeek en Onkunde weer zag, die zij achter zich hadden gelaten. Hij zei daarom tegen Christen: Ziet u wel, hoe langzaam die jongeman achter ons aan komt?
Ja, ik zie hem wel. Hij heeft geen zin om met ons mee te lopen.
Volgens mij zou het hem geen kwaad gedaan hebben als hij zich tot hiertoe bij ons aangesloten had, zei Hopende.
Dat is waar, antwoordde Christen. Maar ik verzeker u, dat hij er anders over denkt.
Hopende zei: Dat geloof ik ook. Maar hoe het ook zij, laten we op hem wachten.
Dat deden ze.
Toen hij bij hen kwam, zei Christen tegen hem: Kom hier, man. Waarom blijft u zo achter?
Onkunde antwoordde: Ik loop liever alleen dan met een grote groep, tenzij de mensen mij bevallen.
Toen zei Christen zachtjes tegen Hopende: Zei ik u niet dat hij liever niet met ons oploopt? Maar laten wij een gesprek met hem beginnen om deze eenzame weg wat te bekorten.
Hij richtte zich tot Onkunde en vroeg: Wel, hoe is het met u. Hoe staat het tussen God en u?
Onkunde: Wel goed, hoop ik. Ik zit vol met goede gedachten, die mij voortdurend onder het lopen vertroosten.
Christen: Wat voor goede gedachten? Vertel ons daar wat over, smeek ik u.
Onkunde: Ik denk aan God en aan de Hemel.
Christen: Dat doen de duivels en de verdoemde zielen ook.
Onkunde. Maar ik denk aan Hem en ik verlang naar Hem.
Christen: Dat doen ook veel mensen die er nooit zullen komen. De ziel van de luiaard begeert veel, maar hij krijgt niet alles.
Onkunde: Maar ik denk aan Hem en laat alles achter om Zijnentwil.
Christen: Dat betwijfel ik. Want het is een zware opgave, ja moeilijker dan velen weten, om alles achter te laten. Maar hoe en waardoor bent u ertoe gekomen om alles achter te laten voor God en de Hemel?
Onkunde: Mijn hart zegt mij dat.
Christen: Wie op zijn eigen hart vertrouwt is een zot, zegt de wijze man (Spr. 28:26).
Onkunde: Dat wordt gezegd over een slecht hart. Maar het mijne is goed.
Christen: Hoe kunt u dat aantonen?
Onkunde: Het geeft mij troost in de hoop op de Hemel.
Christen: Dat kan gebeuren doordat iemands hart bedriegelijk is. Want het hart kan de mens troost geven door hem te laten hopen op iets, wat hij niet met goede grond kan verwachten.
Onkunde: Maar mijn hart en leven stemmen overeen, en daarom is mijn hoop gegrond.
Christen: Wie zegt u dat uw hart en leven met elkaar overeenstemmen?
Onkunde: Dat zegt mijn hart.
Christen: Ja, uw hart zegt dat tegen u. Dat is net zoveel als: vraag mijn maat of ik een dief ben. Alleen het woord van God kan dit getuigen, andere getuigenissen hebben geen waarde.
Onkunde: Maar is het niet zo dat een goed hart ook goede gedachten heeft?
En is het niet een goed leven, als het overeenkomt met de wet van God?
Christen: Ja, het is zo dat een hart goed is, als het vol is van goede gedachten en een leven is goed, als het gericht is op de wet van God. Maar er is verschil tussen iets te hebben en te denken dat men het heeft.
Onkunde: Wat zijn volgens u dan goede gedachten en wat is een leven dat met Gods wet overeenkomt? Zeg mij dat.
Christen: Goede gedachten zijn er in verschillende soorten. Sommige richten zich op onszelf, sommige op God, sommige op Christus en sommige weer op andere dingen.
Onkunde: Wat zijn goede gedachten ten opzichte van onszelf?
Christen: Die, welke overeenkomen met Gods Woord. Onkunde: Wanneer zijn die gedachten, die zich op onszelf richten, in overeenstemming met het Woord van God?
Christen: Wanneer wij hetzelfde oordeel over onszelf vellen als het Woord van God over ons velt. Nader uitgedrukt: Het Woord van God zegt over mensen in hun natuurlijke staat: Daar is niemand rechtvaardig, niemand die goed doet (Rom. 3). Het zegt ook: Het gedichtsel en pogen van 's mensen hart, is te allen dage alleenlijk boos (Gen. 6:5). En opnieuw: Het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan (Gen. 8:21).
Nu dan, als wij zo over onszelf denken en zo voelen, dan zijn onze gedachten goede gedachten, want ze zijn volgens Gods Woord.
Onkunde: Ik zal nooit geloven dat mijn hart zo slecht is.
Christen: Dus hebt u uw hele leven geen goede gedachten over uzelf gehad.
Christen verteld getrouwe over mondchristen (volgende plaat)
Mijn waarde, vervolgde de ander, ik smeek u, zeg mij toch wat voor iemand hij is.
Zijn naam, antwoordde Christen, is Mondchristen, en hij woont in onze stad. Het verwondert mij dat u hem niet kent. Maar dat zal wel zijn omdat onze stad zo groot is.
Getrouwe: Van wie is hij een zoon? En waar woont hij?
Christen: Hij is de zoon van een zekere Schoonspreker en woont in de Praatsteeg. Onder die naam is hij bij iedereen bekend: Mondchristen uit de Praatsteeg. Hoewel hij een gladde tong heeft is hij onbetrouwbaar.
Getrouwe: Hij lijkt anders een aardige man.
Christen: Ja, dat lijkt zo voor mensen die hem niet goed kennen. Buitenshuis is hij op z'n best, maar van dichtbij is hij zo slim als wat.
Dat u zegt dat hij zo'n aardige man lijkt te zijn, doet mij denken aan wat me is opgevallen in het werk van schilders: Sommige stukken zijn uit de verte best mooi, maar van dichtbij bekeken zijn ze zeer lelijk.
Getrouwe: Ik zou haast denken dat u er de spot mee drijft. Het lijkt wel of u er om lacht.
Christen: Het zij verre van mij, dat ik over zoiets zou spotten of hem vals zou beschuldigen, ook al lachte ik dan. Ik zal u liever wat nadere inlichtingen over hem geven. Deze man kan met iedereen omgaan en praat altijd op dezelfde manier. Zoals hij met u gepraat heeft, zo zal hij ook praten in de herberg. En hoe meer hij gedronken heeft, hoe meer hij er de mond vol van heeft. De godsdienst heeft geen plaats in zijn hart, ook niet in zijn huis en in zijn gesprekken. Alles wat hij heeft ligt op zijn tong, en daarmee wat lawaai maken is alle godsdienst die hij bezit.
Getrouwe: Als dat waar is, ben ik in deze man wel erg bedrogen.
Christen: Ja, u bent bedrogen, wees daar maar van verzekerd. Herinnert u zich de spreuk wel: Zij zeggen het wel, maar zij doen het niet (Matth. 23:3) en: Het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden maar in kracht (1 Cor. 4:20). Hij praat over gebeden, geloof, bekering en wedergeboorte, maar hij kan er alleen maar over praten. Ik ben bij hem thuis geweest en heb op hem gelet, zoals hij thuis was en daarbuiten. Ik weet dat wat ik over hem vertel de waarheid is. Zijn huis is compleet zonder godsdienst, zoals het eiwit smakeloos is. Er is geen gebed of teken van berouw over de zonde, ja, een dier dient God op zijn manier beter dan hij.
Christen in gesprek met Hopende (volgende plaat)
Christen: Hebt u er wel aan gedacht om het bidden op te geven?
Hopende: Ja, wel honderd keer, en nog wel eens zoveel. Christen: Hoe kwam het dan dat u dat niet deed?
Hopende: Ik geloofde dat het waar was, wat tegen mij gezegd was. Dat zonder de gerechtigheid van deze Christus de hele wereld mij niet zou kunnen redden. Daarom dacht ik bij mijzelf: Als ik ophoud te bidden, dan sterf ik toch ook. Ik kan immers alleen maar sterven voor de genadetroon.
Bovendien kwam mij dit voor de geest: Zo Hij vertoeft, verbeid Hem; want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven (Hab. 2:3).
Dus volhardde ik in mijn bidden, totdat de Vader mij Zijn Zoon openbaarde.
Christen: Hoe werd Hij u geopenbaard?
Hopende: Ik zag Hem, niet met mijn aardse ogen, maar met de ogen van mijn verstand (Efeze 1:18-19). Dit ging zo: Op zekere dag was ik erg bedroefd, bedroefder dan ik ooit van mijn leven was. Ik was zo bedroefd geworden, omdat ik voor mij zag hoe groot en hoe verkeerd mijn zonden waren. Ik zag niets anders voor me dan de hel en de eeuwige verdoemenis van mijn ziel. Opeens leek het alsof ik de Heere Jezus uit de Hemel bij mij zag komen. Hij zei: Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden (Hand. 16:30,31).
Maar ik zei: Heere, ik ben een grote, een zeer grote zondaar.
En Hij antwoordde: Mijn genade is u genoeg (2 Cor. 12:9).
En toen ik vroeg: Maar Heere, wat is geloven? hoorde ik Hem zeggen: Wie tot Mij komt, zal niet hongeren, en die in Mij gelooft zal nimmermeer dorsten (Joh. 6:35). Toen begreep ik dat geloven en komen een en hetzelfde is, en dat hij die komt, dat wil zeggen wiens hart en genegenheid naar Christus uitgaat, om door Hem gezaligd te worden, dat diegene ook werkelijk in Christus gelooft.
Toen kreeg ik tranen in mijn ogen en ik vroeg verder: Maar Heere, kan zo'n grote zondaar als ik wel door u aangenomen en zalig gemaakt worden?
En ik hoorde Hem zeggen: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh. 6:37).
Toen vroeg ik verder: Maar Heere, waarop moet ik letten bij het komen tot U, opdat mijn geloof op U oprecht wordt gevestigd?
Hij zei: Jezus Christus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken (1 Tim. 1:15). Hij is het einde der Wet, tot rechtvaardigheid van een ieder die gelooft (Rom. 10:4). Hij is overgeleverd om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking (Rom. 4:25). Hij heeft ons lief gehad, en ons gewassen met Zijn eigen bloed (Openb. 1:5). Hij is een Middelaar tussen God en ons (1 Tim. 2:5). Welke altijd leeft, om voor ons te bidden (Hebr. 7:24,25).
Tot slot
De Christenreis is reeds drie eeuwen tot zegen geweest, vooral voor het eenvoudige volk. Sinds het midden van de vorige eeuw is het ook voor de meer ontwikkelden als een hoogstaand literair werk beschouwd.
"Bunyan kan alleen in waarheid verstaan worden door hen die zijn geloof delen. Het beste, het schoonste ervan blijft verborgen voor hem, die geen zondaar is geworden voor God en die zelf niet de weg uit de stad Verderf naar de stad Sion opgaat".
Als je de christenreis nog nooit gelezen hebt hoop ik dat deze inleiding je hiertoe zal aanzetten. We mogen bidden dat de Heilige Geest, bij het lezen van dit boek, jullie en mij leert verstaan wat de Reis van een Christen naar de Eeuwigheid inhoud.
Ik wil besluiten met een gedicht van John Bunyan:
Eén ding is nodig
Ik bied u deze reeg’len aan,
opdat gij daaruit leert
waarom de heer’zo dringend roept,
dat g’u tot Hem bekeert.
Geen mens die hier geboren werd
voor ’t leven hier beneên;
neen, men gaat in de jongste dag
naar hel of hemel heen.
Gij dan, die mijne woorden leest;
keer tot u zelven in.
Worde het door Gods zegen u
voor eeuwig tot gewin.
Geef acht dus op hetgeen ik schrijf,
en overdenk het wel,
als ‘k u van dood en oordeel meld,
van hemel en van hel.
Mijn lezer, wie g’ook zijt,
die deze woorden leest,
veracht niet mijne taal,
al is zij arm geweest.
Ik smeek u, hoor mij aan:
’t is tot uw hart gericht.
Indien gij u ook bekeert,
verheugt g’u in Gods licht
en erft een eeuwig goed,
daarboven weggelegd.
De fouten zijn van mij,
de rest heeft God gezegd.
John Bunyan