Weergave

(+16 & +19) Registreer of log in:

Geloofsbelijdenis

'Wat denk jij wat je nodig hebt om geloofsbelijdenis te kunnen doen?' Met deze vraag startte de +19 JVavond over geloofsbelijdenis. Lees hieronder de inleiding die is opgedeeld in twee hoofdthema's: geloven en belijden.
Onder de inleiding staan enkele titels van boeken die je kunt nalezen als je geinteresseerd bent in het onderwerp.

Zingen: ps. 119: 53, 86
Lezen: Handelingen 8: 26-40

Wat heb je nodig om geloofsbelijdenis te kunnen doen? Vertel het eerste wat je binnenschiet aan degene die naast je zit.

Vanavond wil ik met jullie onder andere nadenken over de vraag wat je nodig hebt om geloofsbelijdenis te kunnen afleggen.
De inleiding heb ik opgesplitst in twee hoofdthema’s, namelijk geloven en belijden.

 

 

Geloven

Eerst kort iets over geloven. Geloven of geloof zijn woorden die in ons taalgebruik allerlei betekenissen hebben, zo wordt geloven ook wel uitgelegd met ‘ik weet het niet zeker’ en het woord geloof met godsdienst of bijbelkennis. Dit heeft echter helemaal niets met het ware geloof te maken. Geloven is iets dat absoluut zeker is. Het gaat over Iemand, Die absoluut betrouwbaar is. In de Bijbel heeft het woord geloven vaak de betekenis van vertrouwen. Vertrouwen wijst op een relatie tussen personen. Het gaat dus om een verhouding tussen een nietig zondaar en God! De almachtige drie-enige God. Het vertrouwen in die drie-enige God, het je verlaten op de beloften, die Hij in Zijn Woord heeft geopenbaard, het zeker weten dat God en Zijn Woordbetrouwbaar zijn, dat is ‘het geloof’. Geloven is zeker weten. Als je twijfelend afvraagt: zijn deze beloften ook voor mij, dan zegt het geloof: ja, want God zegt het in Zijn Woord en de Heilige Geest getuigt in mijn hart dat het waar is. Dit zeker weten komt dus niet voort uit je gevoel of jouw werken, maar uit Gods Woord. Een schip in de storm gooit nooit zijn anker uit op het eigen dek, maar in de vaste zeebodem. Zo is het ook met het geloof. Er wordt wel gezegd: ‘het anker van ons levenschip ligt vast in de diepte van Christus’ kruisverdiensten’.
Het geloof richt zich alleen op Christus.  Ongeloof zoekt de zaligheid in je eigen hart, in je bidden of bijbellezen. Maar geloven is zien op  Jezus. Zien op Jezus als een Middelaar die God en de mens weer bij elkaar brengt, zien op Jezus als een Borg, als een Voorspraak bij de Vader, als eeuwige Koning, als Immanuël, als de Opstanding, als het Leven, als de Weg tot het leven.
In zondag 7 van de Catechismus wordt gevraagd: ‘Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden? Neen zij, maar alleen degenen, die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.’ Het echte geloof is dus nodig om zalig te worden. Het geloof bestaat uit inlijven en aannemen. Het geloof wordt ook wel de band genoemd, die ons met Christus verenigd/inlijft, en de hand, die Zijn weldaden aanneemt. Allebei worden ze door de Heilige Geest gewerkt. De Heilige Geest zorgt ervoor dat het zaad van het Woord in je hart ontkiemt. Dan begint het geloof te groeien. Dan leef je niet meer vanuit de wortels van de zonde, maar ontvang je het leven van Christus. Je leeft en groeit door Christus’ genoegdoening en Zijn gerechtigheid.  Misschien zeg je: dan moet ik dus eerst weten of ik in Christus ben ingelijfd? Dat klopt, maar dat ingelijfd zijn blijkt uit het gevolg, het aannemen van Zijn weldaden. Als je wilt weten of een plant een goede plant is, ga je niet in de grond graven en kijken of de wortel wel goed is. Je kijkt naar de vruchten, die zijn zichtbaar. Zo is het ook met het aannemen van Zijn weldaden. Stel je een ent voor die ingeënt wordt in de wijnstok Christus. Die ent draagt vrucht zolang ze in de wijnstok blijft, zolang ze de weldaden van Christus aanneemt: vergeving, eeuwige gerechtigheid en zaligheid.

Het geloven waar we het nu over hebben gehad, heeft alles te maken met belijden. In Rom. 10: 10,11 staat: ‘Indien gij met uw mond zult belijden de Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden. Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid.’

  

Belijden
Eerst wil ik met jullie teruggaan in de geschiedenis. Hoe is het belijdenis doen ontstaan? Vervolgens denken we na over waarom je belijdenis zou doen, wat de vier vragen van Voetsius inhouden, waar je antwoord op geeft en tot slot nog iets over na je geloofsbelijdenis.

Geschiedenis
‘Lid worden van de kerk’ wordt het doen van belijdenis wel genoemd. Dit is een verkeerde uitdrukking, want je bent al lid van de kerk. Je bent namelijk geboren uit christelijke ouders en gedoopt. In het doopformulier wordt geschreven dat ‘de kinderen als lidmaten der gemeente behoren gedoopt te wezen’.
In de eerste tijd van de christelijke gemeente vielen doop en belijdenis samen. De doop werd bediend na het afleggen van belijdenis. De belijdenis was dus heel nauw verbonden met de doop. Ze hoorden bij elkaar. De volgende Bijbelteksten laten dit zien: ‘Johannes was dopende in de woestijn en predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden. En al het Joodse land ging tot hem uit en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.’ (Markus 1: 4, 5) ‘Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.’ (Markus 16: 16) Petrus zegt in zijn toespraak op het Pinksterfeest: ‘Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden.’ (Handelingen 2: 38) In Samaria zijn mannen en vrouwen die in Jezus Christus geloven. In Handelingen 8: 12 staat: ‘Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en van den Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beiden, mannen en vrouwen.’ In de ontstaansperiode van de vroegchristelijke kerk dus eerst geloofsbelijdenis en dan de doop.
Na vrij korte tijd vestigde de kerk zich onder de volken en ontstond de kinderdoop. De belijdenis van het geloof kwam hiervan los te staan. Later werd de belijdenis zelfs een apart sacrament, zoals we dit nu ook nog kennen als het vormsel in de Rooms-katholieke kerk.
Calvijn schrijft in de ‘Institutie’ dat doop, catechisatie en belijdenis met elkaar samenhangen. Als kleine kinderen gedoopt worden, kan men van hen geen geloofsbelijdenis verwachten. Als de kinderen tot hun verstand zijn gekomen, is het de eis van hun doop, dat ze belijdenis van het geloof afleggen. Want bij de doop hoort belijdenis van het geloof. Calvijn schrijft: ‘de kinderen des verbonds moeten onderwezen worden om zo te komen tot een getuigenis van hun geloof’. Daarom voert hij in Geneve het catechetisch onderwijs in. Hij is er van overtuigd dat hij hiermee aansluit bij de praktijk van de vroegchristelijke kerk. Onderwijs vindt hij van groot belang, omdat dit het wapen is tegen onkunde en de gevolgen die daaruit voortkomen, zoals dwalingen. Hij zegt: ‘Het is noodzakelijk door onderricht de kinderen te brengen tot de belijdenis des geloofs om het volk in de zuiverheid der leer te bewaren en opdat men de evangelische onderwijzing en leer niet late verloren gaan, maar dat de inhoud daarvan worde vastgehouden en overgegeven van hand tot hand en van vader op zoon.’ Wanneer een kind voldoende onderwijs had ontvangen, werd in de gemeente belijdenis van het geloof afgelegd. Dit gebeurde soms al op 10-jarige leeftijd.

Waarom belijdenis doen?
Je staat voor de vraag of je belijdenis zult doen. Je vraagt je wellicht af: ‘Kan ik dat wel’, ‘Waarom zou ik belijdenis doen?’ Dit is niet de goede volgorde. Het begint niet bij jouw keuze, maar bij God. Hij heeft jou geboren doen worden bij een open Bijbel, bij christelijke ouders. Dat is Gods leiding. Bij je doop heeft God bevestigd en verzegeld dat je niet bij de wereld hoort, maar bij Zijn gemeente, dat Hij jouw God wil zijn.
Je bent dus in je ouders lid van de kerk; dooplid. En je omdat je nu je eigen verantwoordelijkheid draagt, wordt je geroepen om door een  persoonlijk keuze lid van de gemeente te worden. Dit is geen vrijblijvende keuze; God heeft al voor je gekozen. Je wordt nu geroepen om dit te aanvaarden door het doen van belijdenis. Het is alsof God tegen je zegt: ‘Dit is de weg, wandel in dezelve.’ (Jesaja 30: 21) Je moet dus kiezen. Maar het is geen vrijblijvende keuze; je bent niet vrij om geen belijdenis te doen. Geen belijdenis doen is nee zeggen tegen de Heere, terwijl Hij je oproept Hem te dienen. Mozes zegt tegen Israël: ‘Het leven heb ik u voorgesteld en de dood.’ Vervolgens zegt hij niet: ‘Je moet zelf maar weten wat je kiest.’ Integendeel, met klem spreekt hij: ‘Kies dan het leven!’ De Heere Jezus heeft zelf ook gezegd dat Hij wil dat je Hem belijdt in je leven: ‘Wie Mij belijden wil voor de mensen, dien zal Ik belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.’ Maar Hij zegt ook: ‘Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.’ (Matth. 10: 32, 33) Zo ernstig spreekt Jezus erover en zo ernstig moeten wij het ook nemen.
Misschien ben je ervan overtuigd dat je dit niet waar kunt maken in je leven. Je schuift het doen van belijdenis voor je uit. Om altijd en onder alle omstandigheden voor de HEERE en Zijn dienst uit te komen, vraagt inderdaad heel wat. Want belijdenis afleggen is een keuze voor heel je leven, zelfs voor de eeuwigheid. Je zegt: ‘Ik kan geen belijdenis doen, want ik leef in twee werelden.’ Zo kun je inderdaad geen belijdenis doen, want de Heere vraagt heel hart, je hele leven. Daarom ben geroepen om met deze halfslachtigheid naar de Heere te gaan en tot een radicale bekering te komen. Om heel je leven aan de Heere te wijden. Heel je wezen komt daartegen in opstand; je kunt het niet en wilt het ten diepste niet. Maar God kan je helemaal anders maken, van binnenuit, door je een nieuw hart te geven en daarmee een heel nieuw leven. Je kunt niet een beetje half mee doen. Het klinkt zwartwit, maar zo spreekt de bijbel ook. Jezus zegt: ‘Wie niet voor Mij is, is tegen Mij.’ Het komt aan op een breuk met de wereld, op een haten en ontvluchten van de zonde en op het leven van een nieuw leven. Deze keus kun je en hoef je gelukkig niet in eigen kracht doen. ‘Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem zijn wegen leren.’ Dan kun je de keuze maken, omdat je je eigen onmogelijkheid en onwaardigheid belijdt en je het van Gods genade en Geest verwacht voor heel je leven.

De vier vragen waar je antwoord op geeft
Tijdens je geloofsbelijdenis geef je antwoord op vier vragen van Voetsius. Deze wil ik kort met je nagaan.
Vraag 1: Verklaart gij de leer van onze kerk, die gij geleerd, gehoord en beleden hebt, te houden voor de ware en zaligmakende leer, overeenkomende met de Heilige Schrift? Met andere woorden: hoe sta je heel persoonlijk tegenover het Woord van God? Heeft het spreken van de Heere gezag over jouw denken en doen? Welke plaats heeft de Bijbel in jouw dagelijks leven? De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in artikel 5 over de Bijbel (in eigen woorden): ‘Al deze boeken alleen ontvangen wij als van God gegeven en gezaghebbend. Zij zijn een regel, fundering en bevestiging van het geloof. En wij geloven zonder enige twijfel wat daarin is samengevat en dat niet zozeer omdat de kerk ze voor Goddelijk en gezaghebbend houdt, maar vooral omdat de Heilige Geest getuigenis geeft in ons hart, dat ze van God zijn.’
Vraag 2: Belooft gij door de genade Gods in de belijdenis van de zaligmakende leer volstandig te zullen blijven en daarin te zullen leven en sterven? In deze vraag gaat het erom welke plaats de leer heeft in je leven nadat je belijdenis hebt gedaan. Hoe ga je verder in je leven? Is het je verlangen te leven zoals de Bijbel je leert? Het is dus belangrijk dat je trouw blijft aan de Bijbel en de belijdenisgeschriften. Het is veelzeggend dat er in deze vraag zo uitdrukkelijk wordt gewezen op de volheid van Gods genade in Christus. Die heb je nodig om verder te kunnen leven en zalig te kunnen sterven. In eigen kracht lukt je dat niet. Vandaar ‘door de genade Gods’.
Vraag 3: Belooft gij overeenkomstig deze leer, godvruchtig, eerbaar en onberispelijk steeds uw leven te zullen inrichten en uw belijdenis te zullen versieren met goede werken? In deze vraag staat je leven centraal. Je belooft godvruchtig, eerbaar, onberispelijk te zullen leven. Godvruchtig betekent dat de vruchten van Gods werk bij jou te zien zijn, denk aan vruchten als geloof en bekering. Bij eerbaar moet je denken aan je levensstijl. In Rom. 12:2 staat: ‘En wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagende en volmaakte wil van God is.’ Je belooft je leven te zullen versieren met goede werken. Je wilt slechts leven met en voor de Heere. Dan zal dit ook in je leven te zien zijn.
Vraag 4: Belooft gij u aan de vermaning, terechtwijzing en kerkelijke tucht te willen onderwerpen en onderworpen te zullen zijn, indien het gebeurde – wat God genadig verhoede – dat gij u in leer of leven kwaamt te misgaan? Het woord vermaning betekent niet alleen waarschuwing, maar gaat over heel het ambtelijk onderwijs. Stel je je positief op ten opzichte van de kerkenraad, de dominee? Het zijn gezagsdragers die God over gesteld heeft. Je belooft zelfs dat je - wanneer er sprake zou zijn van het overschrijden van de schriftuurlijke grenzen in leer en leven - je zult onderwerpen aan de tuchtmaatregelen. De vermaning en terechtwijzing is niet alleen een taak van de kerkenraad. Gemeenteleden zijn ook aan elkaar verbonden door de eenheid van Gods Woord. Het is goed om zorg te dragen voor elkaar welzijn, lichamelijk en geestelijk.

Na je belijdenis
Wanneer je belijdenis hebt gedaan, wordt je opgeroepen de goede strijd te strijden. Paulus schrijft aan Timotheüs: ‘Strijd de goede strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen’ (1 Tim. 6: 12). Je wordt dus aangespoord om te volharden in de strijd tegen de zonde. Maar het is ook een strijd aan Gods kant. Jezus zegt zelf: ‘Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht’ (2 Kor. 12: 9). Het gebed, waarbij je contact hebt met God, Die in Christus ons nabij wil zijn, is hierbij onmisbaar. Dan alleen kan jouw ja-woord ook in je leven zichtbaar worden.
Er wordt bij het doen van belijdenis aan je gevraagd: ‘belooft gij, overeenkomstig deze leer, eerlijk en onberispelijk steeds uw leven te zullen inrichten, en uw belijdenis met goede werken te zullen versieren?’ Je weet dat goede werken voortkomen uit een oprecht geloof. Ik las hierover: ‘Onder de klem hiervan mag je jezelf niet uitworstelen door te gaan spreken over een belijdenis van de waarheid. Dat is ten diepste een stuk misleiding, want de waarheid is in de Bijbel in relatie tot de mens altijd ‘beleefde waarheid’ en niet een soort objectieve afstandelijke en verstandelijke waarheid.’
In het Nieuwe Testament is vaak te lezen dat de gelovigen vermaand worden om te blijven bij wat zij geleerd en beleden hebben. Waarom gebeurd dat elke keer weer? De Heere Zelf bewaart toch Zijn kinderen? Waarom al deze waarschuwingen alsof het van de mens afhangt? Deze waarschuwingen bedoelen niet dat de gelovige zelf nog iets aan zijn zaligheid moet of kan toevoegen. Juist als je vast gelooft in Gods werk neem je ook je eigen verantwoordelijkheid. Je belijdt: ‘De Heere laat nooit varen het werk Zijner handen.’ Maar dan moet je niet rustig doorgaan met zondigen, en laten zien dat je die belofte niet gelooft. Laat die belijdenis je juist bij de Heere brengen: ‘Verlaat niet wat Uw hand begon.’

Geloven en belijden. Kun jij concluderen: nu ben ik zo ver dat ik kan waarmaken wat ik beloof of beloofd heb bij mijn geloofsbelijdenis? Gelukkig gaat het bij de Heere niet zo. Petrus belijdt: ‘Tot wie zullen wij heen gaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh. 6: 68).’ Hij maakt zijn woorden niet waar. Liet hij in de hof van Gethsémané en bij Kajafas zien dat hij een discipel van Jezus was? Maar Jezus houdt Petrus vast en laat hem nooit meer los. Inderdaad, niet te zijn wie je voor de Heere zou moeten zijn, kost strijd. Maar daar roept de Heere je toe op: ‘Strijd de goede strijd van het geloof.’ God wil je daar bij helpen: ‘Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.’ Laat zo je leven zijn. Je leven waar de Heere recht op heeft, je leven dat Hij wil vervullen met Zijn vrede, je leven waarin de Heilige Geest wil komen om het geloof te werken en sterker te maken, om met heel je hart elke keer weer te belijden: ‘God heb ik lief!’

 

Zingen: ps. 30: 1

Vragen en stellingen

Zingen: ps. 96: 3, 6

 

Vragen/stellingen

1. Moet je tijdens de belijdenisdienst kunnen zeggen: ‘Ik ben een kind van God’? (evt. bespreken: Wanneer ben je een kind van God?)
2. Lees Deuteronomium 5: 25-29. Kan dit bijbelgedeelte vergeleken worden met geloofsbelijdenis doen? Wat heeft dit bijbelgedeelte jou te zeggen?
3. Doop – geloofsbelijdenis – avondmaal. Vanzelfsprekend!?
4. Geboren en gedoopt in de Gereformeerde Gemeente betekent belijdenis doen in de Gereformeerde Gemeente.
5. Geloofsbelijdenis doen, waarom wil je dat gaan doen/ heb je het (nog niet) gedaan?
6. Lees artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Bespreek dit artikel. Waarom zou je lid worden van de kerk?
7. Calvijn schrijft: ‘Als de kinderen tot hun verstand zijn gekomen, is het de eis van hun doop, dat ze belijdenis van het geloof afleggen. Want bij de doop hoort belijdenis van het geloof.’ Waarom is het de eis van de doop om geloofsbelijdenis af te leggen? (gebruik evt. het doopformulier)

 

Boekentips

- Met hart en mond, door ds. G.J. van Aalst

- Echt geloven, door ds. P. van Ruitenburg

- Ik geloof, door ds. C. G. Vreugdenhil

- Belijdenis doen, en dan, door ds. A. Hoogerland

- De goede belijdenis, door ds. J. van Haaren

- Blijven belijden, door J.H. Velema