Weergave

(+16 & +19) Registreer of log in:

Inleiding 'De tabernakel'

Een groot deel van het boek Exodus is gewijd aan de bouw van de tabernakel. Grofweg van hoofdstuk 25 tot en met 40 lezen we over hoe de tabernakel gebouwd moest worden en hoe hij gebouwd wérd. We lezen welke voorwerpen in de tabernakel moeten komen, van welke materialen ze gemaakt moesten worden en welke maten de voorwerpen moesten hebben. Misschien heb je het je weleens afgevraagd: wat heeft dit voor ons te betekenen? Natuurlijk, voor Israël was de tabernakel belangrijk, maar voor ons…?

Een groot deel van het boek Exodus is gewijd aan de bouw van de tabernakel. Grofweg van hoofdstuk 25 tot en met 40 lezen we over hoe de tabernakel gebouwd moest worden en hoe hij gebouwd wérd. We lezen welke voorwerpen in de tabernakel moeten komen, van welke materialen ze gemaakt moesten worden en welke maten de voorwerpen moesten hebben. Misschien heb je het je weleens afgevraagd: wat heeft dit voor ons te betekenen? Natuurlijk, voor Israël was de tabernakel belangrijk, maar voor ons…?
In de bijbel zijn maar liefst vijftig hoofdstukken gewijd aan de tabernakel en de tabernakeldienst. Deze hoofdstukken staan niet voor niets in de bijbel. Wist je trouwens dat de tabernakel zo’n volmaakt bouwwerk was, dat er nooit iets aan toegevoegd of veranderd hoefde te worden? De tabernakel heeft wel 500 jaar bestaan, inclusief de veertig jaren in de woestijn. Genoeg redenen om eens wat beter te kijken naar dit bijzondere huis en de betekenis die het voor ons heeft.
Behalve over de tabernakel zelf, zou er ook veel te zeggen zijn over de offerdienst, de verschillende offers, de priesters, de priesterkleding enz. Daar is de tijd echter te kort voor en daarom wil ik me vooral beperken tot de tabernakel zelf. Voor de pauze zullen we stilstaan bij de verschillende voorwerpen uit de tabernakel. Na de pauze hopen we o.a. stil te staan bij de mensen die geholpen hebben bij de bouw van de tabernakel.      
 
De opdracht
Vanaf de top van de berg Sinaï, had de Heere gesproken: ‘Ik ben de Heere uw God’. Daarmee had Hij het verbond met het volk Israël opgericht. Een slavenvolk mocht het volk van God worden. Wat een wonder! God wil hun God en Koning zijn. Van diezelfde berg Sinaï laat de Heere Zijn wet horen. Daarna nodigt Hij Mozes uit om tot Hem op te klimmen naar de top van de berg. Mozes blijft daar veertig dagen lang. De Heere spreekt met Mozes. Het gesprek gaat over iets heel bijzonders. De Heere vertelt Mozes Zijn verlangen om in het midden van Israël te wonen. ‘En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.’ De Heere wil bij Israël zijn. Hij wil bij hen wonen. In de veertig dagen die Mozes op de berg Sinaï is, laat de Heere aan hem zien hoe Zijn woning eruit moet zien. Er is geen plaats voor eigen ideeën of eigen fantasie. Het huis moet gebouwd worden zoals de Heere dat wil. Later lezen we ook, dat het huis gebouwd werd naar het voorbeeld dat de Heere aan Mozes had laten zien op de berg.
 
Huis van Go(u)d
De tabernakel moest in een voorhof komen te staan van 50 meter lang en 25 meter breed. De tabernakel zelf was 15 meter lang en 5 meter breed en was, zoals je weet, verdeeld in twee delen: het heiligdom en het heilige der heiligen. Voor het oog was het echt een tabernakel, een tent, maar het was wel een bijzondere tent: De pilaren en planken waren bedekt met goud en zilver. De tent zelf was bedekt met de duurste geweven stoffen. In de tabernakel waren de gouden kandelaar, de gouden tafel der toonbroden, het gouden reukaltaar en de gouden Ark des Verbonds. Dit huis van God was een huis van goud.
 
Wonen onder Israël
De zwarte tenten van de Israëlieten pasten eigenlijk niet bij dit mooie huis van God. De bewoners van de zwarte tenten van de Israëlieten pasten al helemaal niet bij de Bewoner van de tabernakel. Wat huisde er al niet in die zwarte tenten? Wat huisde er al niet in de harten van de bewoners van die tenten? Elke familie had z’n eigen zorgen en verdriet. Als we in die tenten zouden kijken, zouden we hetzelfde zien als in ons eigen hart: eigenbelang, eerzucht, verkeerde gedachten, woorden en werken. En toch staat daar de tent van God tussen de mensen. De tabernakel is een wonder van de barmhartigheid van God. God komt in het midden van Israël wónen. Voor en na de zondeval sprák de Heere tot mensen. In de tijd van de Abraham, Izak en Jakob verschéenHij soms, bijvoorbeeld in een droom. Maar nu… nu komt de Heere midden tussen het volk wonen. Dat is helemáal een wonder, als we denken aan de zonde met het gouden kalf: Terwijl de Heere aan Mozes vertelt dat Hij bij het volk wil wonen, maakt het volk onder aan de berg een beeld van goud.
Hoe kan het dan, dat de Heere, de heilige God, toch bij zulke mensen wil komen wonen? We lezen het in vers 22 van Exodus 25: ‘En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubs’. Het bloed op het verzoendeksel wees naar de Heere Jezus, Die komen zou om Zijn lichaam te offeren. Daarom kon de Heere bij dit zondige volk wonen. De tabernakel heet niet voor niets de ‘tent der samenkomst’: in die tent ontmoetten de heilige Jehova en het schuldige Israël elkaar.
 
De omheining
Laten we deze bijzondere tent eens wat beter gaan bekijken.
Uit de verte zien we de omheining van helder witte, linnen gordijnen. Daarbovenuit steekt het dak van het eigenlijke huis dat binnen de omheining staat. Als we nog dichterbij komen, zien we echter alleen nog de witte omheining. De gordijnen zijn zo hoog (2,5 m), dat je er niet overheen kunt kijken. Het wit steekt scherp af tegen de grauwheid van de woestijn en de zwarte tenten die rondom de tabernakel staan. De witte wand laat iets zien van de afstand die er is tussen de heilige God en zondige mensen. Door onze zonden kunnen we niet in de nabijheid van de Heere komen. Dat laat deze witte omheining ons duidelijk zien. De witte gordijnen laten ons zien hoe vuil wij mensen zijn. En toch… voor mensen die zien dat ze zelf nooit meer tot de Heere kunnen komen, is er een poort. Nee de omheining is niet helemaal afgesloten: er is aan de oostkant een poort, waardoor de zondaar in de tabernakel kan komen.
 
De deur
Gods huis heeft een ingang. Wat een wonder. De Heere had iedereen wel buiten kunnen laten, maar Hij heeft een deur gemaakt. God zet Zijn huis open zodat zondige mensen vergeving kunnen ontvangen voor hun zonden, bij het altaar.
De deur van Gods huis is geen deur, in de formaten die wij gewend zijn. Nee, het is een brede deur. De deur is 20 ellen breed, 10 meter dus. Zo breed zijn niet veel deuren! De deur is breed genoeg om de grootste zondaar binnen te laten. Niemand hoeft buiten te blijven omdat de poort te smal zou zijn. Toch vinden veel mensen de poort te nauw. De wereld en onze afgoden moeten we namelijk achterlaten, bij het binnengaan door deze deur.
De deur naar het huis van God, naar het huis van goud, was niet gemaakt van hout of ijzer. Het was geen deur met veel sloten erop. Om naar binnen te gaan was grote lichaamskracht geen vereiste. De gordijnen konden makkelijk opzij geschoven worden.
Toen de Heere Jezus op aarde was, heeft hij gezegd: ‘Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden’. Er zijn geen meerdere deuren in de tabernakel. Er is er maar één. Zo zijn er ook niet meerdere wegen die naar God leiden. Geen verschillende godsdiensten die toch bij dezelfde God eindigen. Er is maar één weg tot God: de Heere Jezus. Zijn wij al binnengegaan door deze Deur? Er zijn namelijk maar twee mogelijkheden: buiten of binnen. De deur staat nu nog open, maar kan plotseling dicht gaan. De deur van de ark bleef ook niet altijd open staan. De Heere Zelf sloot hem toe.  
Niet alleen de deur zelf, maar ook de kleuren vertellen ons van de Heere Jezus. De gordijnen van de deur van de voorhof, maar ook de gordijnen in de tabernakel, waren in vier kleuren geweven. Het wit laat ons iets zien van de zondeloosheid van Christus. Het blauw wijst op de hemel en wijst op Zijn Godheid. Scharlakenrood is de kleur van bloed en wordt in de bijbel ook gebruikt om de zonde mee aan te duiden. (‘Al waren uw zonden als scharlaken…’) De Heere Jezus heeft voor de zonde Zijn bloed gestort. Purper is een mengsel van hemelsblauw en rood. Koningen droegen purperen kleding. Deze kleur wijst daarom op Jezus’ heerlijkheid. Hij is de Koning van de koningen.
 
Het brandofferaltaar
Kijk, buiten de voorhof van de tabernakel loopt een Israëliet. Onrustig is hij, je kunt het aan zijn gezicht zien. Aan een touw heeft hij een schaap bij zich. Hij is bang. Hij heeft gezondigd. Zijn geweten spreekt. Toch vlucht hij niet weg van God. Dan zou hij nog meer zonden begaan. Hij loopt door. Langs de noordkant van de witte gordijnmuur van het voorhof. Dan komt hij aan de oostkant. Daar ziet hij de brede poort. Hij gaat naar binnen en staat dan in de ruime voorhof. Tegenover hem rijst het indrukwekkende Godshuis op. Hij voelt zich staan in het licht van God. Hij weet dat de Heere alles van hem af weet. Recht voor hem staat het brandofferaltaar.
Het altaar is voor het oog een vierkante bak van 2,5 meter lang en breed en 1,5 meter hoog. Dit altaar domineerde de hele voorhof. Je kon dit altaar niet negeren. Van binnen was het altaar hol, zonder deksel en bodem. Het was gemaakt van sittimhout. Deze houtsoort komt van een boom die in de woestijn groeit, de Acacia arabica. Het is een erg sterke houtsoort. Het hout was bedekt met dikke platen koper. Deze beschermden het hout tegen het vuur. Hout is uit de aarde gegroeid. Het is een beeld van de mensheid van God. Koper is een beeld van kracht. Van een kracht die het vuur van Gods oordeel kan doorstaan. Koper verteerd niet in het vuur. Op de vier hoeken van het altaar stonden massief koperen hoornen.
Daar staat de Israëliet, voor dit grote altaar. De priester komt naar hem toe en hij belijdt het: ‘Ik heb gezondigd tegen de Heere en daarom kom in over mijn zonde verzoening doen. Ik heb een offerlam meegebracht’. Een gelovige priester zou tegen zo’n Israëliet geantwoord hebben: ‘Juist voor zondaren is dit altaar gemaakt.’ Daarna moest degene die wilde offeren zijn handen op de kop van het dier leggen. Hij werd daardoor één met het dier en droeg zo zijn zonden op het onschuldige dier over. In plaats van deze man, werd dit dier nu schuldig voor God. De keel van het dier werd doorgesneden en het bloed opgevangen. Dit bloed werd aan de hoornen van het altaar gestreken en voor het altaar uitgegoten. Het geslachte dier werd nu in het vuur gelegd. Er volgde een indrukwekkend moment. Het vuur (een beeld van Gods toorn over de zonde) verteerde het schaap. De vlammen van het grote vuur lieten zien dat God een verterend vuur is. Deze man voelde dat hij verteerd had moeten worden, maar wat een wonder dat nu niet hij, maar dit schaap werd gedood. En dat kon alleen omdat jaren later de Heere Jezus verteerd zou worden door de vlammen van Gods toorn over de zonde.
En als deze man nu morgen weer zondigde? Dan moest hij weer komen! En de dag daarna weer? Dan was er weer een offer nodig. Het werk in de tabernakel stond nooit stil. In de voorhof van de tabernakel stonden geen stoelen. Ook was er in de tabernakel geen gelegenheid om te rusten. Hier was nooit iemand klaar. Het grote verlossingswerk van de Heere Jezus was nog niet volbracht. Doordoor was er nog geen rust mogelijk. Ontelbaar veel dieren zijn er in de tabernakel en later in de tempel geslacht. Maar nooit werd er voldoening bereikt. Het altaar vroeg altijd om meer offers. We lezen dat ook in Hebreeën 10: ‘En een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen.’ Waren al die offers dan tevergeefs? Nee, ze wezen heen naar het grote Offerlam. Dat lezen we in vers 12 van Hebreeën 9: ‘Maar Christus, de Hogepriester der toekomende goederen, gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een éeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.’
 
Het koperen wasvat
Van de meeste voorwerpen in de tabernakel had de Heere de maten precies aangegeven. In de bijbel lezen we echter niets over de maten van het koperen wasvat. Ook lezen we niet welke vorm het wasvat moest hebben. Misschien moet jij, als je aan dit wasvat denkt, ook wel denken aan een rond vat, gedragen door runderen. Zo zag de koperen zee in de tempel van Salomo er namelijk uit. Hoe het koperen wasvat in de tabernakel er heeft uitgezien weten we niet. Wel is het mogelijk dat Salomo bij het maken van de koperen zee het reeds bestaande wasvat als uitgangspunt genomen heeft, en dat het eerste wasvat er ook ongeveer zo heeft uitgezien. We weten wel waar het wasvat van gemaakt was: van gepolijst koper. Dit koper kwam van de spiegels die de Israëlieten van de Egyptische vrouwen meegekregen hadden bij de uittocht. Glazen spiegels bestonden in die tijd nog niet. De handspiegels die de Egyptische vrouwen gebruikten waren gemaakt van gepolijst koper. Het waren kostbare spiegels. De Israëlitische vrouwen zullen ze ongetwijfeld niet ongebruikt hebben gelaten. Maar wanneer zij horen dat er koper nodig is voor het wasvat, brengen ze hun kostbare spiegels naar Bezaleël. Eigenlijk werd van deze spiegels weer een nieuwe spiegel gemaakt. Het wasvat werkte namelijk als een spiegel. In het gepolijst koper van het wasvat zag men zichzelf. Dat was ook wel nodig, want deze spiegel was bedoeld om de mens zijn vuilheid te laten zien, zodat hij gewassen wilde worden met het water uit het wasvat. De plaats van het wasvat is  in de bijbel wel heel exact aangegeven: het moest staan tussen de tabernakel zelf (waar de Heere woonde) en het brandofferaltaar (waar de verzoening plaatsvond).
Het wasvat was het beeld van de heiligmaking. Het was in de tijd van de tabernakel alleen bedoeld voor de priesters. Wanneer zij de tent der samenkomst (zoals de tabernakel ook wel wordt genoemd) binnengingen, moesten zij hun handen en voeten wassen met het water uit het wasvat. Het met ongewassen handen en voeten naar binnengaan, kon de dood betekenen. Gods huis en dienst was immers heilig! Als je zonden verzoend zijn door het offer van de Heere Jezus, ben je ook een priester. Maar de zonden blijven, daarom is dagelijkse vergeving en reiniging nodig door het bloed van Christus en door Heilige Geest. Dit heeft de Heere Jezus Zijn discipelen ook geleerd met de voetwassing. (Johannes 13) Toen de Heere Jezus gestorven was, stak een soldaat een speer in Zijn zijde. Er stroomde bloed en water uit. Het bloed wijst op de verzoening (het brandofferaltaar). Het water wijst op de reiniging of heiliging (het wasvat).  
 
Kandelaar
Achter het wasvat bevond zich de eigenlijke tabernakel. Als de priester de voorhang naar het Heilige opzij schoof en naar binnen ging, viel dit gordijn weer op zijn plaats terug, zodat er geen licht van buiten naar binnen kon. Toch was het niet donker in de tabernakel. Er scheen een zacht licht. Het werd weerkaatst door de gouden wanden van het Heilige. Het licht kwam van de zevenarmige kandelaar. Vanaf de ingang gezien, stond de kandelaar links. Rechts tegenover de kandelaar stond de tafel der toonbroden en in het midden het gouden reukofferaltaar. Het waren geen kaarsen, die brandden in de lamp, maar de lamp brandde op olie, van olijven. De kandelaar was gesmeed uit een massief stuk goud van 120 pond. Bovendien moest de kandelaar echt uit één stuk gemaakt worden. Het was niet zo dat eerst de voet gemaakt werd en daarna de schacht, en dat deze dan aan elkaar gemaakt werden. Nee, de kandelaar was één geheel. De kandelaar leek eigenlijk op een boom, een amandelboom. Het voetstuk was de wortel. De recht opgaande schacht is de stam en de zeven armen de takken en aan de takken waren knoppen, bloesems en vruchten van de amandelboom. De Joden noemen de kandelaar de Menora, de Lichtdrager. De Kandelaar scheen met het licht niet naar zichzelf. Het licht was gericht op de overkant. Het viel op de tafel der toonbroden en op het reukofferaltaar. Het gaf licht als de priester zijn werk deed.
In Gods Woord zien we dat de Heere Jezus Zelf dikwijls met het licht wordt vergeleken. We lezen in Jesaja: ‘Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien.’ En in hoofdstuk 60 van Jesaja lezen we: ‘Maak u op, word verlicht, want uw licht komt’. De Heere Jezus zegt het ook zelf, dat lezen we in Johannes 8: ‘Ik ben het Licht der wereld.’ Hij verlicht Gods huis en heiligdom. Zonder Hem zou er duisternis zijn in de kerk. Toch laat de kandelaar ook iets zien van wie de ware gelovige moet zijn. De Heere Jezus zegt tegen Zijn discipelen ook: ‘Gij zijt het licht der wereld’. In Openbaringen stellen de zeven kandelaren dan ook de zeven gemeenten voor. De kandelaar laat ons dus iets zien van Christus, maar ook van de Christen. Het is eigenlijk net als bij de wijnstok en de ranken. ‘Ik ben de ware Wijnstok’, zei de Heere Jezus. De ranken, Zijn kinderen, komen uit Hem voort, en zo zijn ze één. De kerk in zijn geheel en iedere gelovige wordt geroepen het licht te verspreiden. Christus is het eerste en belangrijkste licht. De gelovigen moeten het licht verspreiden dat ze van Hem ontvingen. De kandelaar kon niet branden zonder olie. Zo kan ook de Kerk geen licht verspreiden zonder het licht van de Heilige Geest. Toen de Heere Jezus kwam, is het Licht in de wereld gekomen. Het is niet in de ruimte van het Heilige gebleven, maar over dit Licht werd verteld onder de heidenen. Ook onder ons. Johannes schrijft: ‘maar de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het Licht, want hun werken waren boos.’ Ontlopen wij het licht nog, willen we onze boze werken niet zien? Willen we ze wel verlaten en voor God belijden? Door het Licht van de Heere Jezus is er genezing voor zondaren. De stralen van de Zon, kunnen harde harten laten smelten.
 
Tafel der Toonbroden
Welke voorwerpen staan er eigenlijk nog meer in het heilige? Aan de andere kant zien we een tafel staan van 1 meter lang, 50 cm breed en 75 cm hoog. Het is de tafel der toonbroden. Rondom het blad van deze tafel was een rand gemaakt, die ongeveer zo breed was als een hand. Deze rand of krans zorgde ervoor dat de voorwerpen op de tafel er niet af konden vallen. Op de tafel, die gemaakt was van hout en overtrokken was van goud, lagen twaalf broden in twee stapels van zes. Op iedere stapel stond een gouden schaal met wierookkorrels. Verder stonden er kannen gevuld met offerwijn. De priesters moesten ervoor zorgen dat er altijd vers brood op de tafel lag. Dat lezen we in Ex.25:30: ‘En gij zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen.’ De twaalf broden op de tafel wijzen naar de twaalf stammen. Ze worden gedragen door de tafel, die wijst naar de Heere Jezus. Zoals de tafel de broden draagt, draagt Christus Zijn volk. Hij beschermt hen en houdt hen vast. Het brood wees heen naar de Heere Jezus, het Brood des Levens. Zijn wij alleen tevreden als er elke dag aards brood op onze tafel staat, of zoeken we ook dit Brood? De Heere Jezus zei tegen de schare: ‘Ik ben het Brood des levens, die tot mij komt, zal geenszins hongeren en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.’ De Heere Jezus was de vervulling van het brood op de gouden tafel der toonbroden. Het evangelie roept: ‘O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk.’ 
 
Reukofferaltaar
Behalve het brandofferaltaar, kende de tabernakel ook nog een reukofferaltaar. Dit altaar stond ook in het heilige. De naam zegt het al: op dit altaar werd alleen reukwerk geofferd. Het was maar een klein altaar: ½ meter bij een ½ meter en 1 meter hoog. Het valt op dat het altaar dus vooral naar boven gericht was. Bovenop het altaar lag een plat blad en rondom het altaar was een gouden krans, een opstaande rand. Op het altaar stond een gouden schaal, waarin men het vuur moest doen. Dit mocht geen vreemd vuur zijn, maar het vuur moest afkomstig zijn van het brandofferaltaar. Dit vuur had de Heere tenslotte Zelf aangestoken. Als het morgenoffer geofferd werd, moest de priester ook reukwerk offeren op het gouden altaar in het heilige. Ook ’s avonds moest dat gebeuren, als het zondoffer geofferd werd. Wat de priester bij dit altaar deed, doet Christus in de hemel. De Heere Jezus is de hemel binnengegaan, het hemelse heiligdom. Wat Hij heeft verdiend op aarde, offert Hij op aan Zijn Vader. Hij bidt voor Zijn Kerk. Het reukofferaltaar kon niet bestaan zonder het brandofferaltaar. Want het reukofferaltaar kreeg het vuur van het brandofferaltaar en werd ook schoongemaakt met het bloed van dit altaar, één keer per jaar. De Heere Jezus kon alleen bidden voor Zijn kerk, door het offer dat Hij bracht op aarde.
Het reukwerk dat op dit altaar werd geofferd was gemaakt volgens een door de Heere gegeven recept. Het bestond o.a. uit wierook. Niemand anders mocht dit reukwerk maken. Als het werd geofferd, kwam er een heerlijke geur vrij. Terwijl deze geur de tabernakel vervulde bad de priester om vergeving van de zonden voor het volk dat buiten stond te wachten. Hij bad om de komst van de Messias. De reukwolk ging door het voorhangsel naar de plaats waar de Heere woonde: het Heilige der Heiligen. Net zoals die heerlijke geur de plaats bereikte waar de Heere was, kwam ook dit gebed bij God.
 
Ark des Verbonds
Achter het reukofferaltaar hingen opnieuw de bijzonder mooie, geborduurde gordijnen in de kleuren wit, hemelsblauw, purper en scharlaken. Daarachter was een ruimte van 5 meter hoog, lang en breed. Een soort kubus. Een volmaakte ruimte. Alles was er van goud. Het was het heilige der heiligen. Daar stond het belangrijkste voorwerp van de tabernakel: de Ark des Verbonds. Daarvoor was de tabernakel tenslotte gemaakt. In deze ruimte woonde God. Hier was Zijn troon. Hij woonde hier boven het verzoendeksel van de Ark. De ark was op het eerste gezicht gewoon een langwerpige kist, ook weer gemaakt van sittimhout en overdekt met goud. Ook de binnenkant was met goud overtrokken. Het deksel op de Ark was helemaal van goud. Het deksel was een waar kunstwerk: uit één klomp goud waren dit deksel en de daaruit voortkomende engelenfiguren gesmeed. De engelen, van de orde van de cherubijnen, keken met hun gezichten naar het verzoendeksel. Met hun vleugels overdekten zij de Ark. De Ark was het allerheiligste voorwerp dat ooit op aarde heeft gestaan. Het verzoendeksel was niet slechts een deksel om de ark af te sluiten. Het was de troon van God. In de Engelse en Duitse vertaling wordt het woord ‘verzoendeksel’ dan ook weergegeven met ‘genadestoel’. Daar ontmoette de Heere Zijn volk. De Ark werd ‘Ark des Verbonds’ of ‘Ark der getuigenis’ genoemd omdat in de Ark de twee stenen tafelen, met daarop de tien geboden, werden bewaard. Dit waren de verbondsafspraken tussen de Heere en Israël, vandaar deze naam. De ark was zo heilig, dat alleen de Hogepriester er één keer per jaar mocht komen. Hij moest dan een reukoffer meenemen, zodat een wolk de ark bedekte. Het bloed van het zoenoffer moest hij op het verzoendeksel sprengen.
Alleen door dit bloed was het mogelijk dat de Heere woonde in het midden van het volk Israël.
In de ark lagen de tien geboden. De Heere woonde dus eigenlijk op de Wet. Israël had beloofd die wet te zullen houden, maar daar was niets van terecht gekomen. De Heere moest hen daarom straffen. En toch woonde de Heere op het verzoendeksel, op de Wet. Dat kon alleen door het bloed dat de hogepriester daar gesprengd had. De Wet in de ark was bedekt door het verzoendeksel waar bloed op gesprengd werd. God zag eerst het bloed en daarna de Wet die overtreden was. De cherubs, de engelen op de Ark, hadden hun gezichten niet voor niets gekeerd naar dit verzoendeksel. Ze vroegen zich verwonderd af: hoe is het mogelijk dat de Heere bij zulke zondige mensen wil wonen? De Ark liet iets zien van de Heere Jezus, Die komen zou om Zijn bloed te storten. De Heere Jezus heeft de wet wel helemaal gehouden. Hij is het Verzoendeksel, de bedekking voor de zonden. Alleen daarom kon de Heere in het midden van het volk wonen. Wat een wonder! Laten we daarom als naar deze genadetroon gaan, om verzoening voor onze zonden te krijgen.
 
Exodus 25, 26, 27, (28, 29, 30,) 31, 35, 36, 37, 38, 39 en 40
Lezen:            Hebreeën 9 : 1 – 10 : 18
Zingen:           Psalm 99 : 1, 4 en 8
                        Psalm 40 : 3, 4
                        Psalm 84 : 1
                         
 
Vragen en stellingen:
 
Allerlei soorten mensen hebben hun bijdrage gegeven aan de bouw van de tabernakel.
  1. a.   Hoe zien we dit in Exodus 35 : 4 - 9 en Exodus 35 : 21 - 24?
b.      Hoe moesten de Israëlieten hun gaven geven?
c.       Wat is een hefoffer? (Zie ook de kanttekeningen bij Exodus 25:2)
d.      Hoe konden zij nog meer iets aan de Heere geven? Zie Exodus 35 : 10, 25 en 26.
e.      Welke mensen werden met name genoemd en geroepen om hun bijdrage te leveren aan de bouw van de (voorwerpen in) de tabernakel en leiding te geven bij de bouw? Hoe kwam het dat ze hiervoor heel geschikt waren? Zie Exodus 35:30-35. 
f.        Gaf het volk genoeg? Zie Exodus 36 : 3 – 7.
g.      Wat kunnen wij van dit alles leren? Wat moeten wij geven voor de dienst van de Heere? Wat kunnen we geven behalve aardse goederen?
Zie ook Spreuken 23 : 26.   
 
We lezen in Exodus twee keer een uitvoerige beschrijving van de tabernakel.
  1. a. Vergelijk bijvoorbeeld Exodus 25 : 31 – 40 met Exodus 37 : 17 – 24. Welke overeenkomsten en verschillen zie je?
b.      Waarom zijn er twee beschrijvingen, denk je?
c.       Wat kunnen we hiervan leren?
 
3.         a.  Wat zegt de tabernakel over God?
            b.  Wat zegt de tabernakel over ons?
            c.  Hoe kunnen deze twee toch bij elkaar komen? Wat zag je daar in de tabernakel van?
 
Bespreking:
-          Offers van het volk
-          Bezaleël en Aholeab
-          Vergelijking hoofdstukken 25-27 en 36-38