Inleiding 'Israël
Iedere dag opnieuw: Nieuws uit het Midden – Oosten. Er lijkt geen einde aan te komen. Israël: Een land dat dikwijls het centrum is van alles wat er op deze aarde plaatsvindt. Toch hoeft ons dat niet te verbazen! Staat er niet in de Bijbel, dat Jeruzalem een centrale rol zal blijven spelen? Hoe meer we bij het einde van de wereld komen, des te meer zal Israël centraal komen te staan. Voor een volk van zo’n geringe omvang als Israël is dat toch wel zeer opmerkelijk! Vele landen, groter van omvang en status, komen lang zo vaak niet in de publiciteit.
Het is een land waaraan op wereldniveau zeer veel tijd en aandacht wordt besteed in tegenstelling tot vele andere landen.
Kerk en Israël
“Elke dag”
Iedere dag opnieuw: Nieuws uit het Midden – Oosten. Er lijkt geen einde aan te komen. Israël: Een land dat dikwijls het centrum is van alles wat er op deze aarde plaatsvindt. Toch hoeft ons dat niet te verbazen! Staat er niet in de Bijbel, dat Jeruzalem een centrale rol zal blijven spelen? Hoe meer we bij het einde van de wereld komen, des te meer zal Israël centraal komen te staan. Voor een volk van zo’n geringe omvang als Israël is dat toch wel zeer opmerkelijk! Vele landen, groter van omvang en status, komen lang zo vaak niet in de publiciteit.
Het is een land waaraan op wereldniveau zeer veel tijd en aandacht wordt besteed in tegenstelling tot vele andere landen.
“Voorzienigheid”
Waarom zoveel aandacht aan Israël? Dat is zeker niet toevallig! Het heeft alles te maken met Gods plan, dat Hij met Israël heeft. Er gebeurt in deze wereld niets wat buiten deze Gods - regering omgaat. Dit geldt wel in het bijzonder voor dit volk, de Joden. God Zelf plaatst dit land steeds weer op de agenda van de wereld, omdat Israël het volk van Gods verkiezing is. Toen God Israël uitkoos (verkoor) deed Hij dat niet om enig deugd of kwaliteit bij dat volk. Zijn eeuwige liefde was er de grond van. De enige grond! God is bij niemand te rade gegaan. Hij heeft het allemaal Zelf beslist. “Hij heeft verkozen naar het welbehagen van Zijn wil”.
“Omwille van Mijn Verbond”
Bij de berg Horeb (bij de brandende braambos. Zie: Ex. 3) heeft God Zich bekend gemaakt aan Mozes met Zijn verbondsnaam: “HEERE” (Verbondsgod, de Ik zal zijn, Die Ik zijn zal).
Mozes heeft de woorden, die God tot hem gesproken heeft opgeschreven. Denk maar aan de belofte aan Abraham (Gen 12:1 en 2), waar de HEERE belooft:
“Ik zal u tot een groot volk maken”. Hier begint eigenlijk de geschiedenis van het volk Israël. “Het volk uit Abraham gesproten”!
Zo is dat verbondsboek er gekomen (4 boeken) door Mozes, geïnspireerd door de Heilige Geest, geschreven. Zoals bij de notaris, voor het zetten van handtekeningen, de bepalingen van een overeenkomst worden gelezen. Mozes leest het verbondsboek voor aan het volk Israël. Israël ging akkoord met de verbondsbepalingen. God heeft een verbond met Israël gesloten. Israël mag Gods Naam dragen. De voorrechten, die Israël als het uitverkoren volk van de Heere heeft ontvangen, hebben als keerzijde, dat de Heere van dit volk vraagt, dat zij Hem zullen dienen en vrezen. Dat zij geen andere goden zullen dienen en geen van Zijn geboden zullen overtreden. Dat is de verplichting, die uit de verkiezing voortvloeit.
“Trouw tegenover ontrouw”
Maar het feit dat dit volk bij de Heere behoorde, heeft voor Israël veel lijden meegebracht. Dat kan ook niet anders. In deze wereld is immers geen plaats voor God. Dus ook niet voor wat bij God hoort.
Vooral de duivel verzet zich tegen de vervulling van Gods plannen. Satan heeft talloze pogingen gedaan om aan het bestaan van Israël een einde te maken. Zo lezen we in het OT over de moeilijke wegen die Israël gaan moest. Maar iedere keer weer bewijst God Zijn trouw aan dit volk. Hij laat Zijn volk niet los! Ondanks alles wat er gepasseerd is en wat Israël misdreven heeft. God is getrouw. Zijn besluit is onherroepelijk!
“Andere volken”
Is het de Heere dan uitsluitend begonnen om Israël? Nee het betekend niet, dat de Heere geen oog heeft voor andere volken. Dat te denken zou te kort doen aan het heil, dat God bestemd heeft voor alle volken, om uit hen Zijn Kerk te bouwen. Het gaat de Heere in Israël juist om de gehele wereld. Achter Israëls verkiezing gaat Gods bedoeling schuil, die betekenis heeft voor alle volken. Dan gaat God de belofte waarmaken/bewijzen op een bijzondere wijze. Dan krijgt Gods verkiezing gestalte in de roeping van een heiden, die de Heere trekt uit de afgodendienst. Het blijft niet bij de belofte aan Abraham (Gen 12: 1 en 2)
“Ik zal u tot en groot volk maken”, luistert maar eens:
Met Abraham richt God een eeuwig verbond op, waarin de Heere Zijn belofte bewaart en de wereld indraagt. Als Abraham bijna honderd jaar oud is geeft God hem de belofte, dat in hem alle geslachten des aardrijks gezegend zullen worden. (Gen 12 : 3)
“De Koning”
Steeds opnieuw herhaald de Heere zijn belofte aan Abraham, waarbij hij steeds grotere verborgenheden openbaart. Zie bijvoorbeeld in Gen 17 : 6: “En ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen”.
Wie denkt er nu niet aan David en aan alle koningen van Israël? Ja aan Davids Zaad, namelijk Koning JEZUS! De lang verwachte en beloofde Messias, die uit Israël geboren zou worden?
“Verworpen”
Toen deze Zaligmaker tot Zijn volk kwam heeft dat volk Hem echter niet aangenomen. Zij hebben Hem niet als Gods beloofde Messias herkend en erkend. Hij was ook zo anders dan ze verwacht hadden, hoewel de Joden uit Oud Testamentische Geschriften hadden kunnen weten dat Hij het was Die komen zou! Maar door het deksel wat toen al op hun aangezicht lag hebben ze Hem verworpen en hebben Zijn kruisdood geëist en de verantwoording op zich genomen.
“Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen”. ( Matth 27:25)
“Ziende blind en horende doof”
God heeft Israël in Zijn genade echter niet afgeschreven, maar Hij heeft wel tot op de huidige dag dit volk gesloten ogen en dichte oren gegeven zodat het slaapt. Israël is niet dood, maar het slaapt, al eeuwen lang, al sinds de dagen van Jesaja. Dit oordeel is al door Jesaja bekend gemaakt met de woorden:
“Ga heen en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet; en ziende ziet, maar… bemerkt niet”. (Jes. 6: 9-10)
Daarom sprak Jezus op aarde in gelijkenissen zodat de profetie van Jesaja vervuld zou worden. Hij zegt: “Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan”.
Zo typeert ook Paulus het leven van Israël als hij schrijft:
“Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op den dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden”.
(Kor. 3:14) Zijn vroegere leven, aan de voeten van Gamaliël, ziet Paulus bij zijn broeders terug. Met alle geleerdheid en vroomheid en met alle studie over de wet lag het deksel op het hart.
“Een overblijfsel”
Welnu: Het volk Israël ligt onder het oordeel der verblinding en verharding. Betekend dit, dat God Zijn volk heeft verstoten? Dat zou rechtvaardig zijn, immers; ze hebben zich aan het kruis van Christus geërgerd.
Paulus stelt dezelfde vraag als hij aan de Romeinen schrijft: “Heeft God zijn volk verstoten?” De veronderstelling dat dit zo zou zijn wijst hij af met:
“Dat zij verre! (Rom 11:1a). Dan gaat Paulus met een voorbeeld van zichzelf bewijzen, dat God Zijn volk niet verstoten heeft. Hij zegt dan ook zelf een Israëliet te zijn, een nakomeling van Abraham.
“want ik ben ook een Israeliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin”. Rom 11: 1b)
Verder wijst Paulus in hetzelfde hoofdstuk op een historisch voorbeeld van Gods trouw in de tijd van Elia. De tijd was zo donker. Elia dacht immers, dat hij alleen was overgebleven als dienaar van God. Iedereen diende de afgoden. De profeten waren gedood en de altaren omvergeworpen. Elia roept het uit tot God:
En nu zoeken zij mijn ziel. Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord?
“Ik heb Mijzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.”(Rom 11 :4b)
Dat waren de kinderen Gods, het ware Israël. En aan dat overblijfsel ontleent Paulus het bewijs dat God Zijn volk niet heeft verstoten.
Daarom schrijft Paulus: “Alzo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden naar de verkiezing der genade”.
“Wat dan!”
God bewaard Zich dus een zeker getal, waarin Zijn verbond gehandhaafd blijft.
Paulus toont hiermee aan, dat de verwerping van de Joden niet algemeen is.
Maar hoe moeten we de verwerping van de Joden dan zien?
“Wat dan”? (Rom 11 : 7) Zo stelt Paulus de vraag:
Het antwoord dat hij geeft is duidelijk: Israël heeft niet verkregen wat zij zochten, omdat zij het op een verkeerde manier zochten, maar de uitverkorenen hebben het verkregen. (Rom 11:7b)
De grond van de zaligheid ligt in Gods vrijmacht, Gods verkiezing. En dan staat er verder: “En de anderen zijn verhard geworden.”(Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien en oren om niet te horen) Tot op de huidige dag”. (Rom 11:7c en 8)
Daarmee toont hij aan, dat de schuld van deze verharding niet bij God ligt, maar bij de mensen. En God straft de zonden van de mensheid, door hen over te geven aan de verharding.
Israëls God is een God, Die voluit ernstig genomen moet worden. Maar we zullen ogv Gods Woord moeten concluderen, dat Israël ook na de verwerping van Christus nog altijd onder Gods bijzondere zorg staat. Gods doel is niet de val van Zijn volk, maar hun behoud. Daarom is het met Israël nog niet afgelopen.
“Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt”.
“Heidenen ingeënt”
Door de val van de Joden, ontvangen de heidenen weliswaar de zaligheid.
De heidenen worden mede-erfgenamen en mede-deelgenoten van Gods belofte in Christus, door het Evangelie.
Paulus neemt het voorbeeld van een olijfboom: Wanneer een tak van een goede olijfboom wordt afgebroken, is het mogelijk een tak van een wilde olijfboom te nemen en deze in de plaats van de afgebroken tak te enten.
De Eigenaar van de olijfboom neemt dan een tak van een wilde olijfboom en bindt deze zorgvuldig op de plaats van de oude tak, zodat deze wilde olijftak deel wordt van de goede olijfboom.
Stel je nu eens voor, dat dit gebeurd, dan is er toch geen reden voor de ingeënte takken om zich te verheffen boven de afgehouwen takken?
En al zouden de ingeënte takken zich toch beroemen, dan zou dat bovendien nog ongehoord zijn, omdat de takken van de olijfboom er zelf niet voor zorgen dat de boom leeft, maar de wortel zorgt ervoor dat zij kunnen groeien. Want daar ontvangen zij hun sappen uit.
Met deze gelijkenis wil Paulus de geroepen heidenen vermanen zich niet te verheffen boven de Joden.
De wortel van de olijfboom zijn de patriarchen: Abraham, Izaäk en Jacob. De takken zijn de Joden. Wanneer een tak van een wilde olijfboom, dat zijn de heidenen, wordt verenigd met de wortel van de olijfboom, heeft deze tak, geen enkele reden om zich te verheffen boven de afgehouden tak. Wanneer zo’n wilde tak zou roemen, zal hij zeggen: “De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeënt worden (vs. 19) Dat past niet!
Paulus zegt in vers twintig dat de heidenen er zich terdege van bewust moeten zijn, dat ze ingeënt zijn door Gods goedertierenheid. Wanneer de Heere de natuurlijke takken (de Joden) niet spaart, zou Hij de ingeënte takken wel sparen? Let eens op Gods goedertierenheid en strengheid. Jullie, heidenen zijn ingeënt, maar als je Gods daden veracht; kunnen jullie ook afgehouwen worden. God is machtig om zelfs de afgehouwen takken opnieuw in te enten.
Vergeet toch niet, ook al ben je ingeënt in de goede Olijfboom, dat dit een onnatuurlijk proces is geweest. Dus: Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten (Rom 3:27). Het is enkel genade wanneer de Heere heidenen roept uit de duisternis. We zouden moeten zeggen: een extra groot wonder!
“Bewogenheid met het lot”
De Heere had reeds gezegd, dat Hij gevonden zou worden door degenen, die naar Hem niet zochten. Maar het doel daarvan is, dat de heidenen de Joden tot jaloersheid zouden verwekken. Een houding van liefde en bewogenheid. Jezus weende toen Hij voor de poorten van Jeruzalem stond. Zouden wij dan niet met bewogenheid spreken over het volk, uit Abraham gesproten? Het is nodig, dat we met Paulus leren bidden om hun behoud in bewogenheid met hun lot!
“Broeders de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid. (Rom 10:1)
Hij zegt, dat ze een ijver voor God hebben, maar niet met het verstand, omdat ze hun eigengerechtigheid wensen op te richten, maar het einde der wet is Christus!
Zie Romeinen 10. Als wij evenals zij onze eigengerechtigheid blijven oprichten dan wacht ons hetzelfde lot.
“Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? Hetzelfde is Christus van boven afbrengen. Of, wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelfde is Christus uit de doden opbrengen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken. Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus en met hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden”. (Rom. 10:6 t/m 9)
“Het deksel weggenomen”
Voor Jood en heiden is er maar één weg tot behoudenis; de weg door het geloof in Jezus Christus de Gekruisigde. Straks geschiedt het wonder! De aanneming van Israël! Het volk zal de Messias in de volheid des tijds herkennen en erkennen. Een verbazingwekkend gebeuren zal het zijn, wanneer dit volk tot de Heere bekeerd zal worden en het deksel zal worden weggenomen. De oude profetieën gaan dan in vervulling. Wij hebben als christenen de taak om voor Israël te bidden, of Hij het deksel weg wil nemen.
Door de val van de Joden is de weg naar de heidenwereld ontstaan. Alles naar de voorbepaalde raad en wil Gods.
Ééns zullen de Joden worden aangenomen en samen met de toegebrachte heidenen onder Één Koning zijn.
God heeft een verbond met Israël. De ganse hellemacht kan dat niet verijdelen.
Ook wij zijn krachtens de doop in het verbond. Laten we er ernst mee maken. Van Gods kant ligt het vast; Christus is gewillig en wacht om genadig te zijn.
Israël heb gezondigd en ook wij zijn zondaars, we missen ons doel, we rebelleren, we weigeren, we willen zelf doen. Ons beeld: Zonder God in de wereld, geen hoop, gans verdorven!
Maar juist voor zulken, die zich als zodanig hebben leren kennen, is Christus gekomen. Hij is niet gekomen voor rechtvaardigen, maar voor goddelozen tot bekering. De Schrift vraagt het ons heel eenvoudig. Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden!